Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

56. Vr. Zal men ook de jonge kinderen doopen?

Antw. Ja; want zij zijn alzoowel als de volwassenen in het verbond Gods en in zijne gemeente begrepen.

57. Vr. Welk is het uiterlijk teeken in het Avond maal 9

Antw. Het gebroken brood, dat wij eten, en de vergoten wijn, dien wij drinken, tot gedachtenis van het lijden en sterven van Christus.

58. Vr. Wat beteekent en verzegelt dat?

Antw. Dat Christus onze ziele met zijn

gekruisigd lichaam en vergoten bloed spijst en laaft ten eeuwigen leven.

59. Vr. Waar heeft ons Christus zulks toegezegd ?

Antw. In de instelling des Heiligen Avondmaals, die door Paulus aldus wordt beschreven, 1 Cor. XI: Ik heb van den Heere ontvangen, hetgene ik u ook overgegeven heb, dat de Heere Jezus, in den nacht in welken Hij verraden werd, het brood nam; en als Hij gedankt had, brak Hij het, en zeide: Neemt, eet; dat is mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot mijne gedachtenis. Desgelijks nam Hij ook den drinkbeker, na het eten des avondmaals, en zeide: Deze drinkbeker is het nieuwe Testament in mijn bloed; doet dat, zoo dikwijls als gij dien zult drinken, tot mijne gedachtenis Want zoo dikwijls als gij dit brood zult eten, en dezen drinkbeker zult drinken, zoo verkondigt den dood des Heeren, totdat Hij komt.

60. Vn. Wordt he't brood veranderd in het lichaam van Christus, of de wijn in zijn bloed?

Antw. Neen; niet meer dan het water in den Doop wordt veranderd in het bloed van Christus.

61 Vr. Hoe moet gij uzelven beproeven, eer gii tot het Avondmaal des Heeren gaat?

Antw Eerst moet ik onderzoeken, of ik mijzelven vanwege mijne zonden mishaag, en mij daarom voor God verootmoedig; 1en tweede, of ik geloof en vertrouw, dat mij alle mijne zonden om Christus' wille vergeven zijn; ten derde, of ik ook een ernstig voornemen heb, om voortaan in alle goede werken te wandelen.

62. Vr. Zal men ook diegenen ten Avondmaal laten gaan, die ongoddelijke leer drijven, of een ergerlijk leven leiden?

Antw. Neen; opdat Gods verbond niet worde ontheiligd, en zijn loorn over de gansche gemeente niet aangestoken worde.

63. Vr. Hoe zal men dan met zoodanigen handelen ?

Antw. Volgens de ordinantie, die ons Christus daarvan heeft gegeven, Matth. XVIII: 15, welke aldus luidt: Indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga henen en bestraf hem tusschen u en hem alleen; indien hij u hoort, zoo hebt gij uwen broeder gewonnen. Maar indien hij u niet hoort, zoo neem nog' één of twee metu; opdat in den mond van twee of drie getuigen alle woord besta; en indien hij dezen geen gehoor geeft, zoo zeg het der gemeente; en indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, zoo zij hij u als de heiden en de tollenaar

HET DERDE DEEL.

Van de dankbaarheid.

64. Vr. Aangezien wij alleen uit genade door Christus zalig worden, waarom moet gij nog goede werken doen?

Antw. Niet om den hemel daarmede te verdienen (hetwelk Christus gedaan heeft), maar omdat God mij zulks heeft geboden.

65. Vr. Waartoe dienen dan uwe goede werken ?

Antw. Dat ik Gode daarmede dankbaarheid voor alle zijne weldaden bewijze, en Hij door mij geprezen worde; dat ik ook uit de goede werken, als uit de vruchten, van de echtheid van mijn geloof verzekerd zij; en dat mijn naaste daardoor gesticht en voor Christus gewonnen worde.

66. Vr. Zullen diegenen ook zalig worden, die geene goede werken doen?

Antw. Neen zij; want de Schrift zegt, dat geen onkuische, afgodendienaar, echt breker, hoereerder, dief, geldgierige, dronkaard, lasteraar, noch roover, noch dergelijke, het Rijk Gods beërven zal, 1 Cor. VI: 9 en 10, tenzij dat zij zich tot God bekeeren.

67. Vr. Waarin bestaat de bekeering des menschen?

Antw. In een hartelijk leedwezen en vlieden van de zonden; en in een ernstigen lust, en doen van alle goede werken.

68. Vr. Wat zijn goede werken?

Antw. Alleen die uit waar geloof, naar

de Wet Gods, Hem ter eere geschieden; en niet, die op menschen-inzettingen, of op ons goeddunken gegrond zijn.

69. Vr. Kunnen degenen, die tot God bekeerd zijn, de Wet Gods volkomenlijk houden?

Antw. Neen zij toch; maar ook de allerheiligsten, zoolang als zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel dezer gehoorzaamheid; doch alzoo, dat zij meteen ernstig voornemen, niet alleen naar som-

Sluiten