Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

benauwdheid, enz.'? Daarom, al hebben wij de dagelijksche dadelijke zonde en andere in ons blijvende, zoo moeten wij niet kleinmoedig wezen. Want Jesaja zegt: Al waren uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw ; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol En dit geschiedt door Christus, die óns van onze zonden gewasschen heeft in zijn bloed. Waarvan de Doop een teeken is; en het Avondmaal is ons ook een teeken, dat wij verlost zijn door de offerande van Christus, eenmaal aan het kruis geschied, opdat Hij ons verlossen zoude van den toekomenden toorn en van alle ongerechtigheid, en zichzelven een eigen volk zoude reinigen, ijverig in goede werken, waardoor God geprezen worde.

Wij behooren naar den dood te verlangen.

Wij moeten uit dit lichaam verhuizen, eer wij bij den Heere komen.

^ Dit nu zekerlijk wetende, dat wij door Christus met God verzoend zijn, zoo behooren wij (volgens Gods woord) eene volkomene begeerte te hebben, om ontslagen te zijn van dit sterfelijk lichaam, waardoor wij moeten komen tot de heerlijke erfenis van alle kinderen Gods, welke ons in de hemelen bereid is. Ditzelfde heeft ook Paulus, dat door God uitverkoren vat, begeerd, waar hij zegt Ik ellendig mensch! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods en der zonde? Voorts zegt hij nog: Want, wij weten, dat, zoo ons aardsche huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, dat eeuwig in de hemelen is. En wij verlangen daarmede overkleed te worden. En wij hebben altijd goeden moed, en weten, dat wij, inwonende in het lichaam, uitwonen van den Heere. Daarom hebben wij meer behagen om uit het lichaam uit te wonen, en bij den Heere in te wonen. Nog zegtPaulus: Want wij weten, dat het gansche schepsel met ons zucht ; en niet alleen dit, maar : ook wijzelven, die de eerstelingen des Geestes hebben, zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaams. En dewijl wij gasten en vreemdelingen zijn op de aarde, wie zoude niet te huis in zijn vaderland begeeren te wezen? Want wij wande- I len hier door het geloof, en niet door aanschouwen; want wij zien nu door eenen s spiegel in eene duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; < wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. Wie : zoude niet verlangen naar deze aanschou-

i wing, dewijl wij zien dat de heilige mannen ■ Gods daarnaar verlangd hebben? Gelijk wij in den Psalm aldus lezen: Gelijk een hert, dat gejaagd is, schreeuwt naar de waterstroomen, alzoo schreeuwt mijne ziele tot U, o God. Mijne ziele dorst naar den levenden God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezichte verschijnen ? Mijne tranen zijn mij tot spijze dag en nacht; omdat zij den ganschen dag tot mij zeggen: Waar is uw God? Deze onuitsprekelijke heerlijke aanschouwing van God is zoo groot (gelijk de profeet getuigt), dat geen oog heeft gezien, en geen oor heeft gehoord, en in geens menschen hart is opgeklommen, hetgene God bereid heeft dien, die Hem liefhebben. Wederom zegt David: Want een dag in uwe voorhoven is beter dan duizend elders; ik koos liever aan den dorpel in het huis mijns Gods te wezen, dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheid. Hoe liefelijk zijn uwe woningen, o Heere der heirscharen! Welgelukzalig zijn zij die in uw huis wonen; zij prijzen u gestadiglijk. En zij worden dronken van de vettigheid uws huizes; en Gij drenkt hen uit de beek uwer wellusten. Want bij U is de fontein des levens; in uw licht zien wij het licht. Dit is de heerlijke woning, waar Christus bij Johannes van zegt: In het huis mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zoude Ik het u gezegd hebben. Ik ga henen om u plaatse te bereiden; en Ik kom weder, en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben. Te weten, in dat nieuwe Jeruzalem, dat geene zon of maan behoeft; want de heerlijkheid Gods verlicht haar, en het Lam is hare kaars. Daar zal God alle tranen van onze oogen afwisschen; en de dood zal niet meer zijn; die de laatste vijand is, welken de Heere aan zijne voeten onderwerpen zal. Daar heeft God eene heerlijke bruiloft bereid, waar wij met Abraham, Izak en Jakob zullen aanzitten aan de tafel des Heeren. En zalig zijn zij, die geroepen zijn tot het avondmaal van de bruiloft des Lams.

Waar wij heengaan, als wij van hier verscheiden.

Tot dit avondmaal nu kunnen wij niet komen dan door den dood. Daarom zegt Paulus: Het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin. En zoodra de geloovigen van hier scheiden, gaan zij 'in de eeuwige rust, gelijk Christus zegt: Waar Ik ben, aldaar zal ook mijn dienaar zijn. En wederom: Die mijn woord hoort, en

Sluiten