Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorstanders verklaarden van algemeen kiesrecht voor mannen, doch van vrouwenkiesrecht niet wilden weten". Zelfs onder de voorstanders van kiesrecht aan alle gezinshoofden was er weer verschil van meening, hoewel allen goedvonden, dat er ruimte gelaten werd, „om individueele personen, die geen gezinshoofden waren en al of niet tot een gezin behooren, kies-bevoegd te verklaren''. Voor het gezinshoofdenkiesrecht bleek geen meerderheid te bestaan, ofschoon leden der Rechtsche partijen de meerderheid in de Commissie uitmaakten. En zoo bleven ook andere quaesties, aangaande actief en passief vrouwenkiesrecht, den leeftijd van den kiezer, stemplicht, uitsluiting van bedeelden, kiesrecht voor Gemeenteraden en Provinciale Staten, evenredige vertegenwoordiging, onopgelost. De Commissie sprak aan het slot alleen den wensch uit, dat de Regeering erin slagen mocht, voor het moeilijke vraagstuk de aan 's lands welzijn meest bevorderlijke oplossing tot stand te brengen.J)

Toch verklaarde Minister Heemskerk kort daarna nog in de Eerste Kamer: in den wensch naar zelfstandigheid van de vrouw zijn ook goede elementen. Er is geen twijfel aan, of in de tegenwoordige omstandigheden moeten voor de vrouw verschillende betrekkingen openstaan. Maar die beweging kan ook ontaarden in het propaganda maken voor de stelling, alsof eigenlijk de maatschappelijke positie van de vrouw en die van den man in ieder opzicht gelijk zijn. En dat is niet het geval. Wat het vrouwenstemrecht aangaat, voegde de Minister daaraan nog toe, dat er tegen het geleidelijk invoeren van het vrouwenkiesrecht verschillende bezwaren te maken zijn, die misschien niet te maken zijn tegen het meer algemeen invoeren van het vrouwenkiesrecht.2)

Wijl de Grondwetscommissie dus inzake het kiesrecht niet tot overeenstemming kon komen, was ze van te voren met onvruchtbaarheid geslagen. Want het was toch in de eerste plaats de her-

') Verslag der Grondwetscommissie, ingesteld bij K. B. van 24 Maart 1910 n°. 16 bladz. 2—4.

2) Handel, der Eerste Kamer 17 Febr. 1913 bladz. 322.

Sluiten