Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. DE VROUW IN DE HEILIGE SCHRIFT.

Gelijk reeds opgemerkt werd, vindt de gedachte meer en meer ingang, dat de H. Schrift inzake vrouwenkiesrecht geen gebod en ook geen verbod bevat; het is eene aangelegenheid, die niet met eenige geloofswaarheid in strijd is. Toch is het wel van belang, na te gaan, welke plaats de Schrift in het algemeen aan de vrouw toekent. Indien zij bijv. uitsluitend predikte de ongelijkheid en de ondergeschiktheid der vrouw, indien zij van de voorstelling uitging, dat de vrouw een wezen van lager orde was dan de man, dan zou dat wel terdege eene reden kunnen zijn, om aan de vrouw het stemrecht in den Staat te onthouden.

Maar zoo staat de zaak niet. De H. Schrift leert beide, de gelijkheid en de ongelijkheid, de eenheid en het onderscheid, van man en vrouw. De eenheid en de gelijkwaardigheid wordt in het Oude Testament het duidelijkst en het schoonst uitgesproken in Gen. 1 : 27, volgens welken tekst man en vrouw beiden door God naar zijn beeld zijn geschapen, beiden dezelfde menschelijke natuur deelachtig zijn en als het ware éénen mensch vormen. Maar daarnaast leert Gen. 2 zeer beslist de ongelijkheid der vrouw, want ze wordt na, uit en om den man geschapen, hem ter hulpe, als vleesch van zijn vleesch en als been van zijne beenen; Gen. 1 spreekt van de vrouw, op zichzelve genomen; Gen. 2 spreekt van haar als echtgenoote, om wie de man zijn vader en zijne moeder verlaat.

Sluiten