Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gekomen was. Zoo met name de ondergeschikte verhouding van de kinderen tot de ouders, Ef. 6 : 1—3, Col. 3 : 20, van de dienstknechten of slaven tot hunne heeren, 1 Cor. 7:21—24, Ef. 6 : 5—8, Col. 3 : 22, enz., van de onderdanen tot de overheid, Rom. 13: 1 v. Tit. 3:1,1 Petr. 2 : 13, en evenzoo van de vrouw tot den man in het huwelijk, 1 Cor. 11 : 3 v. Ef. 5 : 22 v. Col. 3 : 18, 1 Petr. 3:1 v.

Nu behoort er bij al deze verhoudingen onderscheid gemaakt te worden tusschen den vorm, waarin ze toenmaals door zeden en wetten geregeld waren, en het beginsel of wezen, dat er aan ten grondslag ligt. De verhouding van kinderen en ouders, van dienstknechten en heeren, van onderdanen en overheid heeft in onze gewoonten en wetgeving een gansch anderen vorm aangenomen, dan die in de Grieksch-Romeinsche wereld bestond; de macht der ouders, der patroons, der overheid is volstrekt niet onbegrensd meer, maar is op allerlei wijze beperkt. En zoo is het ook met de verhouding vau de vrouw tot den man in het huwelijk; de man is geen „heer" meer van de vrouw in den vroegeren zin van het woord, en de vrouw is geen eigendom meer van den man, waarmede hij handelen kan naar welgevallen, en waarvan hij zich ontdoen kan door een scheidbrief, als hij wil. Christus heeft daar zelf door zijn verbod der echtscheiding, anders dan om hoererij, een einde aan gemaakt, de scheppingsordening hersteld en aan de vrouw eene vaste, blijvende plaats geschonken aan de zijde van den man. Echter — niet in het afgetrokkene, alsof elke vrouw aan eiken man, of de vrouw steeds aan den man onderworpen ware — maar in het huwelijk blijft de natuurlijke, in de schepping gegeven ordening bestaan, dat de man het hoofd is en de vrouw hem tot eene hulpe tegenover hem gegeven is.]) Aan deze in de natuur zelve gelegen verhouding

') Tot recht verstand van 1 Cor. 11 : 7—12 merke men op, dat 1° de man wel het beeld en de heerlijkheid Gods heet, maar de vrouw niet het beeld, doch alleen de heerlijkheid des mans. Want ook de vrouw is niet eerst middellijk door den man, doch rechtstreeks beeld Gods; dat 2° de man daarin boven de vrouw verheven is, dat hij de heerlijkheid Gods is, d. w. z. in het huwelijk en gezin de heerschappij draagt, stand en rang bepaalt, en de vrouw

Sluiten