Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

perkt tot de dingen, die recht en billijk zijn, en opgewogen door den plicht van den man, om zijne vrouw lief te hebben en bij haar te wonen met verstand enz. Maar in de ethiek wordt toch altijd zeer sterk nadruk gelegd op de behulpzaamheid, volgzaamheid, zachtmoedigheid, eerbiedigheid enz., welke de vrouw jegens haren man in acht heeft te nemen.

Deze geringere waardeering der vrouw hangt ongetwijfeld voor een deel met het intellectualisme samen, met de leer, dat verstand en rede de grootste voorrechten zijn van den mensch. Wijl deze echter in hoogere mate aan den man dan aan de vrouw geschonken waren, vloeide daaruit de minderwaardigheid der vrouw vanzelve voort. En daarmede verbond zich terstond eene tweede eigenaardigheid, welke men aan de vrouw toeschreef; wijl zij in intellectueele gaven bij den man achterstond, was ze ook lichter verleidbaar, meer toegankelijk voor verzoekingen des duivels, vatbaarder voor bijgeloof, ketterij, tooverij, hekserij enz. Zeide Paulus ook niet in 1 Tim. 2 : 14, dat Eva tot overtreding van Gods gebod kwam, doordat zij zich door de slang liet verleiden en bedriegen, maar dat Adam viel, naardien hij door zijne vrouw overreed werd ? De suprematie, die aan het intellect werd toegekend, en de geringere waarde, welke aan het gemoed werd gehecht, droeg er toe bij, om de vrouw bij den man achter te stellen en die deugden, waarin zij hem evenaart of overtreft, in de schaduw te dringen.

Daarbij kwam ook nog het gebrek aan historischen zin. Als uit Gen. 18 : 12, (Richt. 19 : 26, 27) en 1 Petr. 3 : 6 de plicht van de onderdanigheid der vrouw wordt afgeleid, ziet men geheel over het hoofd, dat de verhouding, waarin de vrouw in de dagen des Ouden en Nieuwen Testamenis naar gewoonte en wet tot haar man stond, eene geheel andere was, dan die, welke langzamerhand onder de Christenvolken tot stand kwam. ') Op dezelfde wijze trekt Witte-

) De Hollandsche Spectator merkte daarom reeds op, dat „zulks was in een tijd, dat de vrouw volstrekt aan haar gemaal als haar koning en wetgever onderworpen was", aangehaald door Mej. Dr. S. J. von Wolzogen Kühr, De Nederl. vrouw in de eerste helft der 18e eeuw. Leiden, Brill 1912 bl. 102.

Sluiten