Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terrein neemt het den vorm aan, welke positie aan de vrouw in het huwelijk en in het gezin toekomt, in hare verhouding tot den man, tot de kinderen, tot het bezit en het beheer harer goederen. Sociaal dient het zich aldus aan, welke beroepen, bedrijven, ambten of betrekkingen overeenkomen met de natuur en de roeping der vrouw, en derhalve voor haar moeten worden opengesteld. Waarmede dan weder ten nauwste samenhangt, welke bescherming zij bij al dezen arbeid buitenshuis, in landbouw, nijverheid, handel, wetenschap enz. genieten moet, en voorts ook de belangrijke economische vraag, welk loon haar toekomt, en in hoever haar daarover, in het huwelijk, de zelfstandige beschikking vrij staat. In de kerk luidt het vrouwenvraagstuk aldus, of de vrouw, inzonderheid bij de verkiezing van ambtsdragers, tot het uitbrengen van haar stem gerechtigd is, of ook misschien zelve tot het ambt verkiesbaar is. In den staat beweegt het vrouwenvraagstuk zich voornamelijk om het actieve en passieve stemrecht der vrouw. En — om niet meer te noemen — paedagogisch doet het zich in deze gestalte voor, op welke opvoeding in den tegenwoordigen tijd de vrouw, in overeenstemming met haar aard en bestemming, aanspraak mag maken.

Nu kan er hierover eigenlijk geen verschil van meening bestaan, , dat wij bij de bespreking van al de bovengenoemde vraagstukken van deze twee beginselen hebben uit te gaan; de eenheid en gelijkwaardigheid, en tegelijkertijd het onderscheid en de ongelijkheid van man en vrouw. Deze beginselen worden ons door de natuur, maar veel duidelijker nog in de H. Schrift geleerd. Beiden, man en vrouw, zijn mensch in vollen zin, ieder voor zichzelf naar Gods beeld geschapen, lichamelijk uit het stof der aarde genomen, en geestelijk eene onsterfelijke ziel deelachtig, die met verstand en wil is toegerust ; bovendien verkeeren zij beiden in denzelfden staat van zonde en ellende, zijn zij in Christus dezelfde genade deelachtig, en zijn ze erfgenamen van dezelfde beloften des eeuwigen levens; en in dat eeuwige leven huwen zij niet meer, want zij kunnen niet meer sterven, omdat zij den engelen gelijk en, als zonen der opstanding,

Sluiten