Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zonen Gods zijn. Deze leer der Schrift is daarom van zoo groot belang, wijl de eenheid van man en vrouw principieel alleen op religieuse gronden te handhaven is, en alle verachting, verlaging en onderdrukking der vrouw daardoor in beginsel veroordeeld worden. Wanneer wij de geschiedenis bezien in het licht van deze gegevens der H. Schrift, getuigt zij op iedere bladzijde van het groote onrecht, dat door den man aan de vrouw is aangedaan. Het is een oude overlevering, zegt graaf de Gasparin, om de vrouwen te minachten. Zij bestond reeds in de vroegste oudheid en duurt tot op onzen tijd voort. De scherts der dichters van Griekenland en Rome, de kluchtspelen uit de Middeleeuwen, de sermoenen en preeken, geheel de stroom van de Renaissance, van Rabelais tot Voltaire en Béranger, dat alles vormt ééne doorloopende ironie, die zonder ophoudei; hare kracht heeft gebruikt ten koste van de eene helft van het menschdom. *) Het lot der vrouw wisselt overal af tusschen de rol van speelpop of slavin; ze wordt vergood of geminacht; zelden wordt ze door den man als gelijkwaardige behandeld.

Maar ter andere zijde is het van even groot gewicht, om in de eenheid het onderscheid en de ongelijkheid tusschen man en vrouw te handhaven. Ook deze staan blijkens de ervaring en niet minder volgens het getuigenis der Schrift onomstootelijk vast. Eene vrouw is eene andere dan de man; eenheid is geen gelijkheid, en gelijkwaardigheid geen identiteit. Het onderscheid van man en vrouw gaat achter de cultuur terug; het is geen product van evolutie of uit langzame ontwikkeling te verklaren; het is met de natuur gegeven en in de schepping gegrond. Toch valt het moeilijk, om het kort in enkele woorden te omschrijven. Hetzij men het trachte weer te geven door de tegenstelling van activiteit en passiviteit, verstand en gemoed, hoofd en hart, kracht en schoonheid enz.; hetzij men beider neiging en streven daardoor poogt uit te drukken, dat de man

') Graaf de Gasparin, De emancipatie der vrouw. Amsterdam Höveker 1874 bl. 1.

Sluiten