Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6. DE VROUW EN HET BURGERLIJK RECHT.

Toch neemt onze wetgeving nog veelszins het oude standpunt in, d. i. het standpunt van den Code civil, die in 1804 door Napoleon in Frankrijk ingevoerd werd en waarin o. a. deze beginselen voorkwamen, dat het onderzoek naar het vaderschap verboden is, dat de man de wettige voogd der vrouw is en de vrouw geen eigendom bezit, dat de vrouw geen wettelijk recht heeft op hare kinderen, dat vrouwen alleen voogd kunnen worden van haar eigen kinderen en kleinkinderen, dat eene vrouw niet als getuige mag optreden bij den burgerlijken stand, dal de man zijne vrouw mag dooden, als hij ze op de daad van overspel betrapt, dat de vrouw geen burgerlijke en geen politieke rechten bezit. Napoleon achtte de vrouw alleen goed, om kinderen te baren, en dat komt ook in zijne wetgeving uit. Hier te lande werd deze Code civil, ingevoerd onder de regeering van Napoleon, wel bij wet van 16 Mei 1829 afgeschaft, maar het nieuwe Burgerlijk Wetboek behield de meeste van deze bepalingen, zoodat met het opkomen der vrouwenbeweging oppositie niet uitblijven kon. De geschiedenis der Nederlandsche wetgeving verhaalt dan ook van vele veranderingen, die te dezer zake in het Burgerlijk Wetboek zijn aangebracht, en die alle de strekking hebben, om aan de vrouw meerdere zelfstandigheid toe te kennen. ')

') Mr. E. Fokker, De maatschappelijke en de rechtstoestand der vrouw in Nederland in 1896. Amsterdam, van Looy (uitgave van het „Nut ). Mevr.Mr. A. E. van den Hoek—kok, De privaatrecht, positie van de vrouw, in: Ue

Sluiten