Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van verwaarloosde kinderen enz.) te worden voorbereid enz. *) Aan al deze voorstellen ligt de gedachte ten grondslag, dat de ongebruikte vrouwenkracht veel beter dan vroeger in dienst genomen moet worden door en aangewend kan worden ten nutte van de gemeenschap ; de vrouw is toch niet louter een individu en ook niet alleen voor den kleinen kring van het huisgezin bestemd, maar ze is tevens een gemeenschapswezen, behoort tegenover de rechten, die zij eischt, ook met liefde en toewijding de plichten te vervullen, die de gemeenschap haar oplegt, en voor de uitoefening daarvan ook te worden opgeleid. Doch al deze voorstellen genieten betrekkelijk slechts geringen steun en hebben weinig kans op verwezenlijking; ze zijn onderling met elkander op vele punten in strijd en rekenen niet genoeg met de werkelijkheid. Immers, de jonge meisjes gaan na de lagere school verschillende richtingen in het leven uit en oefenen in de betrekking, waarin zij geplaatst zijn, in het vak, dat zij beoefenen, in het beroep, dat ze waarnemen enz,, reeds in voldoende mate die sociale plichten uit, welke zij aan de gemeenschap verschuldigd zijn. Het zou van weinig doorzicht getuigen, om ze alle uit die vrij gekozen werkzaamheden uit te halen, ze alle voor een en denzelfden dienst, (verzorging van kinderen, zieken, kraamvrouwen enz. of ook voor corveeën of Roodekruis-dienst bij het leger enz.) toe te rusten en dus een veel te grooten overvloed van verpleegsters en verzorgsters te kweeken. Bovendien, als ze later huwen — en dat is en blijft de regel: van de vrouwen tusschen 25 en 50 jaren zijn er nog altijd 77 percent gehuwd — dan bewijzen ze in haar beroep

2) Verg. Mevr. W. Wijnaendts Francken—Dijserinck, Vrouwenplicht en Gemeenschapsdienst. Uitgegeven door den Nederl. Bond voor Vrouwenkiesrecht (1913). Dezelfde, Gemeenschapsdienst der vrouw in: De Vrouw, de Vrouwenbeweging en het Vrouwenvraagstuk I 664—661. Mevr. Francken bespreekt in het eerstgenoemde geschrift verschillende brochures enz., die over dit onderwerp verschenen zijn. Verg. dergelijke aankondigingen ook in de Sozial. Monatshefte 1915 I 366, 1916 I 395, 1917 II 997. Een der laatstverschenen geschriften, J. A. Hohmann und E. Reichel, Die Dienstpflicht der Frau, Berlin— Zehlendorf, wordt ook beoordeeld in Kath. Soc. Weekblad 13 Oct. 1917.

Sluiten