Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aantal ongehuwde en gehuwde helpsters werd uitgeoefend. Toen de fabrieken opkwamen, nam dit aantal vrouwen nog toe; reeds in 1788 arbeidden 59000 vrouwen in de Engelsche en Schotsche fabrieken, en de grootindustrie gaf aan het getal arbeidende vrouwen eene grootere uitgebreidheid en richtte reusachtige fabrieken op, waar geheele scharen vrouwen als kudden binnenstroomden. Deze vrouwen uit de arbeiderskringen bekommerden zich niet om abstracte, feministische theorieën, en werden niet gedreven door eenige emancipatiezucht, maar ze werkten, omdat de nood des levens er haar toe dwong. Proletarische vrouwenarbeid en feminisme hebben daarom weinig met elkander te doen.J)

Aan de burgerlijke vrouwenbeweging is van huis uit een ander streven eigen. Terwijl de proletarische vrouwen volstrekt niet van de huishouding afkeerig zijn, maar juist in den loonarbeid eene * slavernij zien, waarvan zij liefst bevrijd zouden willen worden, klagen de vrouwen uit de kringen der kleinere en hoogere burgers juist over de „slavernij der huishouding" en zoeken vrijheid en zelfstandigheid in den beroepsarbeid, hetzij in de vrije beroepen van kunst en wetenschap, hetzij in de meer vaste betrekkingen bij onderwijs, post, telegraphie enz. Deze vrouwen zijn, min of meer onder invloed van de denkbeelden der Fransche Revolutie, zichzelve bewust geworden; zij voelen zich zelfstandige personen, wier eer het te na komt, om lijdelijk op den man te wachten, die haar zijne hand biedt; haar gemoed komt er niet minder tegen in opstand, om heel haar leven haar ouders of familieleden tot last te zijn; en zoo streven ze ernaar, om in de maatschappij eene eigene plaats in te nemen, en door eigen verdiensten in haar onderhoud te voorzien.

Hierbij komt nog het besef, dat de hedendaagsche maatschappij met hare vele nooden en ellenden aan de vrouwelijke krachten

') Zie het praeadvies van Mej. Dr. C. E. van Dorp in: Praeadviezen over De maatschappelijke beteekenis van den arbeid der gehuwde vrouw, en de houding, door de Overheid aan te nemen tegenover dat vraagstuk, uitg. door de Vereeniging voor de Staathuishoudkunde en de Statistiek, 'sGrav. Niihoff 1910, bl. 130, 141.

Sluiten