Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar tegenover Mr. Falkenburg merkte de Heer F. van der Qoes terecht op, dat men niet eenvoudig moet blijven staan bij de opgave van het aantal huwelijken in de opeenvolgende jaren, doch ook letten moet op de kringen en standen, waarin deze huwelijken gesloten worden. En dan leert de statistiek, dat de daling van het aantal huwelijken niet voorkomt in de arbeiderskringen, waar men in den regel vroeg trouwt, door het huwelijk vanwege de bijverdienste der vrouw menigmaal zijne positie verbetert, en niet zoo hooge eischen aan het leven stelt. Anders is het echter in de meer gegoede kringen gesteld. Daar trouwt men gewoonlijk veel later, stelt men veel meer op een voldoend inkomen en op een onbezorgd leven prijs, In deze standen neemt nu het aantal ongehuwde vrouwen wel terdege toe, en verminderen de huwelijkskansen. Daarbij komt nog, dat er over het algemeen meer vrouwen dan mannen zijn (in 1909 in ons land 2.899.125 mannen en 2.959.350 vrouwen); dat vele mannen dikwerf eerst op lateren leeftijd in het huwelijk treden, zoodat het aantal weduwen steeds toeneemt, en dat het aantal vrijwillige ongehuwden steeds grooter wordt. Dit alles verklaart, dat een steeds grooter aantal vrouwen een beroep gaat uitoefenen. Eene beperkte mate van welstand schijnt aan de vermeerdering der huwelijken niet bevorderlijk te zijn. ])

In sommige beroepen is de vermeerdering van het aantal vrouwen al bijzonder opmerkelijk; zoo bijv. bij post, telegraphie en telephonie, voor welken dienst ze door haar scherp oog, fijn gehoor, duidelijke spraak, geoefende hand en taai geduld bij uitnemendheid geschikt zijn, maar inzonderheid bij het lager onderwijs. In de V. Staten van Amerika is dit al schier geheel in handen der vrouwen gekomen, wijl de loonen te laag zijn voor de mannen, die in andere beroepen het veel verder kunnen brengen. Maar ook in ons land gaat het meer en meer dien kant uit. In 1860 waren er nog maar 20 onderwijzeressen tegen 100 onderwijzers; maar in 1890 was die

') F. van der Qoes, art. Huwelijkskansen, in de Kroniek van P. L. Tak 18 Maart 1905.

Sluiten