Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo sterk mogelijk afgekeurd; als vrouwen en meisjes in plaats van mannen in dienst genomen worden, alleen omdat ze goedkooper zijn, en dan hare loonen nog op allerlei wijze beknibbeld en gedrukt worden, dan is daarop het oordeel van Jak. 5 : 4 ten volle van toepassing.

Maar desniettemin zijn er redenen, waarom de arbeid van de vrouw in den regel lager geschat en beloond wordt dan die van den man. Ze zijn menigmaal uiteengezet en springen zoo in het .oog, dat alleen de „verbazingwekkende begripsverdorvenheid" van het feministisch denken ze miskennen kan ]). Ten eerste is de opleiding der vrouw voor een of ander beroep over het algemeen niet zoo deugdelijk als die van den man. Natuurlijk kan men hierbij terstond opmerken, dat de oorzaak van de minderwaardigheid van den arbeid der vrouw dan niet aan de vrouw, maar aan hare gebrekkige opleiding, dat is aan staat of maatschappij is te wijten; maar dit verandert toch niets aan het feit. Er zijn zelfs nog tal van bedrijven en beroepen, waarvoor de vrouw geen opleiding bekomen kan,s) en waarvoor zij ze ook nog niet begeert. Ouders zijn ook dikwerf kortzichtig, sturen hunne jonge meisjes, zoodra zij de lagere school hebben afgeloopen, om eenige bijverdienste voor het gezin, in een of anderen dienst, en offeren de belangen der kinderen, soms ook wel noodgedwongen, aan hunne eigene belangen op. En het gevolg is, dat meisjes veel minder bekwaam zijn voor hun arbeid dan de jongens.

Ten andere is de beroepsarbeid voor de vrouw in den regel maar een intermezzo, een tusschenbedrijf, eene voorbijgaande, korte episode in haar leven. Ouders redeneeren al zoo, en denken, dat hunne dochters niet zoo veel voorbereiding voor haar dienst noodig hebben, omdat zij toch na enkele jaren in het huwelijk treden. En de dochters, die in eene betrekking gaan, kunnen nooit zeggen en veel minder beloven, dat zij, als de gelegenheid zich aanbiedt, niet het huwelijk

') H. Roland Holst, De vrouw, de arbeidersbeweging en de sociaaldemocratie bl. 22.

2) Vrouwenjaarboekje 1917 bl. 358.

Sluiten