Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boven den beroepsarbeid zullen verkiezen. Integendeel, ze zouden geen vrouw moeten zijn, indien zij, generaal genomen, niet aan huwelijk en gezin de voorkeur gaven. De vrouw kan in den regel in den beroepsarbeid haar levensdoel, haar bestemming niet zien. En daarom kan zij zich aan dien arbeid ook niet ten volle geven gelijk de man, die daarbij zijn gansche leven blijft en daarin zijne roeping ziet; zij is er zelden met hare gansche ziel bij, omdat ze vrouw is en eene andere bestemming heeft; zij denkt voortdurend aan iets anders, dat in de lijn van hare natuur ligt.

Ten derde heeft de man grootere lichaamskracht en kan den gestadigen arbeid langer uithouden; de vrouw moet, vooral in sommige perioden, spaarzamer zijn met hare kracht, en als ze dit niet doet, gaat ze spoedig lijden aan overspanning en nerveusiteit. Zoo gaat bijv. reeds de arbeid, die van de vrouw in de lagere school gevraagd wordt, hare krachten te boven ; het verzuim der onderwijzeressen wegens ziekte is daarom veel grooter dan dat der onderwijzers ; dikwerf zijn de meisjes door de studie, het blokken voor de examens, het solliciteeren en de proeflessen reeds zenuwpatiënt, voordat ze eene vaste aanstelling verkrijgen. En de slotsom is overal, dat de onderwijzeressen door haar Iichamelijken en geestelijken aanleg, alsmede door hare opleiding en sociale verhoudingen, in het algemeen niet zoo geschikt zijn voor den arbeid in de school als de onderwijzers. J) En dit wordt nu gezegd van den beroepsarbeid in het onderwijs, die voor de vrouw zoo geschikt geacht wordt. Hoeveel te meer geldt het dan van vele andere beroepen en bedrijven, die volstrekt niet in dezelfde mate zich aanpassen bij de vrouwelijke natuur! Gelukkig daarom, dat — gelijk boven werd opgemerkt — de arbeid van mannen en vrouwen zich, ondanks alle gelijkheidstheorie, meer en meer specialiseert en dat er in hetzelfde bedrijf verdeeling van den zwaarderen en den lichteren arbeid wordt toegepast.

Ten vierde moet men in aanmerking nemen, dat de vrouw veel

') Wirtz, Onbevredigende Bevrediging, Meppel 1916 bl. 35 v.

Sluiten