Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

minder behoeften heeft dan de man. De man heeft meer noodig voor ontspanning en genot, voor bier en tabak, wijn en sigaren ; maar dit is het voornaamste niet en wordt slechts in het voorbijgaan vermeld; hij heeft ook meer noodig voor zijn onderhoud, want hij voedt zich beter, terwijl de vrouw dikwerf op haar voedsel uitspaart, wat zij uitgeeft voor hare kleeding. Maar afgezien van deze behoeften, de vrouw heeft in den regel alleen zichzelve te onderhouden, terwijl de man niet alleen voor zichzelf, maar ook voor vrouw en gezin den kost te winnen heeft. En wel is het waar, dat de behoeften van een gesalarieerde nooit een goede maatstaf voor de bezoldiging kunnen zijn, maar de berekening van het loon gaat ook nooit strikt naar de praestatie toe. Veelmeer wordt het loon steeds door een aantal factoren bepaald, zooals maatschappelijke positie, arbeidspraestatie, bekwaamheid enz., waarvan men niet één enkelen tot absoluten maatstaf verheffen kan. In een gegeven maatschappij wordt de een of andere arbeid op zoodanige wijze gewaardeerd, dat het loon een zekeren levensstandaard van den man met zijn gezin mogelijk maakt. Indien dat niet het geval is, komt er botsing en is streven naar lotsverbetering plicht.

Al deze redenen bewijzen, dat de gelijkheidstheorie aangaande man en vrouw ook bij het loon niet opgaat.]) De vrouw is eene andere dan de man, ook in arbeid en in loon; zij heeft aanspraak op eene zelfstandige waardeering van haar persoon en haar dienst. Dat ze hierop recht heeft, blijkt ook uit de bijzondere bescherming, welke de wetgeving meer en meer in alle landen haar verleent. De voorstanders der volstrekte gelijkheid van man en vrouw moeten zich hiertegen verklaren; zij kunnen daarin niet anders zien dan een bevoorrechting van den man ten koste van de vrouw, een streven, om het ouderwetsch gezin te behouden en de overmacht van den man te bestendigen. 2) Maar de werkelijkheid gaat hier-

') Verg. ook Henriette Roland Holst, De vrouw, de arbeidswetgeving en de sociaaldemocratie bl. 20 v.

2) Zie bijv. Mevr. Rutqers—Hoitsema, aangehaald door Henr. Roland Holst, t. a. p. bl. 4.

Sluiten