Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in deze woorden van Dr. Kuyper uit: Land en volk hebben bij den rechtmatigen invloed van de vrouw het hoogste belang, maar zoo is het ook met handel, nijverheid, arbeid en zooveel meer. Gelijk er nu Kamers van Koophandel zijn, zoo laat het zich zeer wel denken, dat er ook Kamers voor Vrouwenrechten in het leven werden geroepen. Zoo privaatrechtelijk als oeconomisch zou dit zelfs uitnemend kunnen werken. Allicht zou aan zulke Kamers of Raden uitgestrekter bevoegdheid dan aan de Kamers van Arbeid zijn te geven ]). En wel wordt daaraan onmiddellijk toegevoegd : maar nooit kan staande gehouden, dat het Hoog Gezag in het publieke leven, gedeeltelijk van den man af te wenden en op de vrouw over te dragen zou zijn ; doch van zulk eene overdracht van het hoog gezag op de vrouw is bij het actief stemrecht, dat immers geen machtsoefening is, hoegenaamd geen sprake.

De onbillijkheid, om in de tegenwoordige toestanden aan de vrouw het kiesrecht te onthouden, springt te meer in het oog, als men bedenkt, dat allerlei oorzaken de vrouwen meer en meer dwingen, om voor korter of langer tijd het huisgezin te verlaten en in de maatschappij zich eene plaats te verwerven. Gelijk vroeger aangetoond werd, is er in de bedrijven en beroepen eene merkwaardige differentiatie op te merken; de natuur van man en van vrouw verloochenen zich ook bij den arbeid niet, Verreweg het meest zijn de vrouwen werkzaam in zulke bedrijven, die zich het naast aansluiten bij haar arbeid in het gezin (huiselijke diensten, onderwijs, ziekenverpleging, confectie, philanthropische arbeid enz.); in de nijverheidsbedrijven zijn ze het meest met den minder loonenden, maar ook lichteren arbeid belast; en tal van bedrijven zijn er eindelijk, waarin naar vrij eenparige meening voor de vrouw geen plaats is, omdat ze te zwaar zijn voor haar kracht, schadelijk voor hare gezondheid, of strijdig met haar natuur. De oorlog heeft

') De Eerepositie der Vrouw bl. 68. Vergelijk de idee van een soort Vrouwen-Raad van State, door den Heer Van Idsinga in de Tweede Kamer te berde gebracht.

Sluiten