Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weging nam, om alle vrouwenvergaderingen te verbieden. Maar het argument, aan de intellectueele minderwaardigheid der vrouw ontleend, heeft veel van zijne kracht verloren tegenover het feit, dat het individualistische kiesrecht verleend wordt aan alle [mannen zonder onderscheid, en van alle kenteekenen van welstand en geschiktheid afziet. Kort geleden schreef De Standaard *) nog: beweerd is onzerzijds nimmer, dat de vrouw, minder dan de man, in staat zou zijn, om ook in het politiek geding in te leven. Als men tot algemeen stemrecht komt, dan staat buiten tegenspraak vast, dat er tal en tal van vrouwen zijn, die veel klaarder en juister dan tal van jonge mannen over den gang van het politieke leven kunnen oordeelen. Ook hier geldt, dat de vrouw wel anders, maar niet minder dan de man is. Zij staat doorgaans bij den man ten achter in abstract denken en logische redeneering, maar zij overtreft hem in den regel in snelheid van inzicht en bevatting.

Bovendien leert de ervaring in die Staten, waar vrouwen het stemrecht hebben, dat de belangstelling der vrouwen zich op andere onderwerpen dan die der mannen richt; ook hier heeft er differentiatie plaats. In een belangrijk, zakelijk verslag over het vrouwenkiesrecht in de Vereenigde Staten ') zegt Mr. Dr. F. M. Schmolck, destijds gezantschapssecretaris te Washington: de mannen stellen meer belang in zaken en financieele kwesties, terwijl de vrouwen zich meer interresseeren in aangelegenheden van moreelen aard: opvoeding, zedelijkheid, schoonheid, weldadigheid, kinderzorg en alles wat de welvaart van het gezin betreft. In het algemeen doet de invloed der vrouwen zich gelden op het gebied van bestrijding van spel, prostitutie en drankmisbruik, ten gunste van zedelijkheid, goed bestuur, recht en orde. De belangen der kinderen (kwesties van ouderlijke macht, arbeid, enz.) worden met warmte door de vrouwen verdedigd.

') In haar nummer van 31 Oct. 1917.

■ v ,?Pge"omet? in het Overzicht der voornaamste van 15 Juli 1913 tot 15 Juli 1914 door het Ministerie van Buitenlandsche Zaken behandelde en voor openbaarmaking geschikte aangelegenheden, bl. 37—40

Sluiten