Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10. DE VROUW EN DE KERK.

Van de gaven en krachten der vrouw heeft de Christelijke kerk in den aanvang bij de verbreiding van het Evangelie, bij de oefening van toezicht en tucht over sommige leden der gemeente, en bij de verzorging van armen en kranken een veelzijdig en dankbaar gebruik gemaakt. Toen haeresie, hierarchie en ascese aan al deze, min of meer officiëele hulpdiensten een einde maakten, hebben langzamerhand de kloosterzusters dezen vrouwelijken arbeid in eenigszins anderen vorm overgenomen en voortgezet. Met de monniken togen zij naar de heidensche landen heen, om te arbeiden aan de verbreiding van het Evangelie ; door het stichten van kloosters hebben zij op even roemrijke wijze als de mannen Christelijke godsdienst en beschaving verspreid ; door allerlei philanthropischen arbeid op het gebied van armenzorg, krankenverpleging, kinder- en meisjesopvoeding enz. hebben ze een welverdiende en wijdverbreide vermaardheid ontvangen. Door alle eeuwen heen kan de Roomsche kerk bogen op eene groote schare van vrouwen, die met algeheele toewijding en voorbeeldige zelfverloochening de liefde tot God en den naaste in practijk hebben gebracht.

In den nieuweren tijd kwam er na de Fransche Revolutie onder de Roomsche vrouwen en jonkvrouwen eene godsdienstige herleving, die bestaande orden tot nieuwen bloei bracht en aan tal van nieuwe kloosters en vereenigingen het aanzijn schonk. De vooral na 1848 toenemende Mariavereering, die in 1854 leidde tot de afkondiging van

Sluiten