Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schonken vrijheid, heeft de apostel Paulus haar in de openbare samenkomst der gemeente het zwijgen opgelegd, wijl de natuurlijke, in de schepping gegronde ordening daardoor geschonden werd.

Van anderen aard zijn de hulpdiensten, die de vrouw op kerkelijk of meer algemeen op godsdienstig gebied bewijzen kan. De oude kerk maakte daar een rijk gebruik van; de Roomsche kerk organiseerde ze in hare orden, congregaties en vereenigingen, maar de Protestantsche kerken wisten er weinig partij van te trekken ; eerst door den arbeid der in- en uitwendige zending zijn de vrouwelijke diensten weer eenigermate in hun eere hersteld. De vader der Innere Mission, J. H. Wichern stichtte in 1833 te Horn bij Hamburg het Rauhe Haus, dat oorspronkelijk een reddingshuis voor verwaarloosde knapen was, maar later ook voor andere philanthropische doeleinden werd bestemd. Voor dezen arbeid waren leiders en verzorgers van noode, en zoo kwam Wichern ertoe, om aan het Rauhe Haus, naar het voorbeeld van de broeders des gemeenen levens, broederhuizen te verbinden, waar jonge mannen tusschen 20 en 30 jaren gedurende zekeren tijd theoretisch en practisch in den arbeid der inwendige zending werden ingeleid. Dergelijke inrichtingen kwamen er, meest echter onder den naam van diakonenhuizen, ook elders tot stand, soms met een algemeen, soms met een meer speciaal doel, bijv. om Ieekenpredikers of evangelisten op te leiden, als te Crischona bij Basel en in het Johanneum te Barmen; of om bekwaam te maken voor den arbeid onder de Duitsche diaspora, zooals te Neuendettelsau en elders; of om voor te bereiden voor het werk der stadszending, als in het 1858 door Wichern te Berlijn gestichte Evangelische Johannesstift.J)

Naast deze diakonenhuizen werden er weldra ook diaconessenhuizen opgericht. De eerste inrichting van dien aard werd in 1836 door Theodor Fliedner te Kaiserswerth bij Düsseldorf gesticht, die daarbij zich leiden liet door denkbeelden, welke pastor Klönne,

') Art. Diakonenhauser in PRE3 IV 604—610, verg. het art. Wichern ib. XXI 219-224.

De Vrouw 10

Sluiten