Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

11. DE OPVOEDING DER VROUW.

De opvoeding van de dochters des huizes was in de oudheid geheel en al aan de moeders van het gezin toevertrouwd; van scholen voor meisjes zijn er hier en daar slechts weinige sporen aanwezig. Als er in den Grieksch-Romeinschen tijd enkele geleerde vrouwen voorkwamen, dan hadden deze hare ontwikkeling aan het onderwijs en den omgang der mannen te danken. Het Christendom bracht hier eenige verandering in, want ook meisjes moesten, om tot de gemeenschap der kerk te worden toegelaten, onderwijs in den Christelijken godsdienst ontvangen.

Toen de kloosters verrezen, werden daaraan al spoedig scholen voor jongens, en ook voor meisjes verbonden. Basilius de Groote f 379 gaf, met beroep op Mark. 9 : 14 en Ef. 6 : 4 aan ouders den raad, om hunne kinderen, zonen en dochters, vroeg in een klooster te doen opnemen, maar denkt daarbij vooral aan zulke kinderen, die zich later tot het ascetische leven willen verbinden. En Hieronymus -}■ 420 handelde in een brief aan Laeta, die hem raadpleegde over de opvoeding harer dochter, en in een anderen brief aan Gaudentius, die met dergelijk verzoek tot hem kwam, vrij breedvoerig over de opvoeding, welke aan meisjes gegeven moest worden. Hij onderscheidt in den leertijd twee perioden, van den aanvang tot het 7e, en van daar tot het 12e a 15e jaar; beveelt gemeenschappelijk onderwijs aan, en noemt als vakken: lezen, schrijven, rekenen, taalonderwijs (Grieksch en

Sluiten