Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van hen, die de neutraliteit niet slechts uit nood verdedigen, maar als het verhevenste dogma van paedagogische wijsheid aanprijzen. Dezulken begaan eene misdaad jegens de kinder-, en nog meer jegens de meisjesziel.

Want afgezien van alle andere klemmende redenen, die op Christelijk standpunt voor eene godsdienstig-zedelijke opvoeding pleiten ; ') er is toch geene macht, die, zooals de godsdienst en onder de vele religies het Christendom, de diepten des gemoeds beroeren en de teederste aandoeningen opwekken kan; het menschelijk hart blijkt juist in den godsdienst daarvoor vatbaar te zijn en daaraan behoefte te hebben. Wie den godsdienst buiten de opvoeding plaatst, stopt de bron voor het innerlijkste en innigste leven der ziel; hij laat een uitgestrekt gebied in het inwendig leven van den mensch onontgonnen en braak liggen. Dat geldt voor den mensch in iederen leeftijd, zij het ook in verschillende wijze en mate, voor de kinderen, voor de knapen en jongelingen, voor de mannen en de grijsaards. Maar het geldt bovenal voor het meisje, de vrouw en de moeder. De kostelijke deugden van ootmoed, afhankelijkheidsbesef, vertrouwen, dankbaarheid, lijdzaamheid enz. waarvoor het vrouwelijk gemoed zoo bij uitnemendheid vatbaar is, kunnen bij haar niet zonder den invloed der Christelijke religie tot ontwikkeling komen.

Te dezen aanzien rust er in de eerste plaats eene plicht op de kerk. Deze kan heden ten dage in vele gevallen en bij de gebrekkige godsdienstig-zedelijke opvoeding in de huisgezinnen met een uur catechisatie in de week en met een ongeregeld huisbezoek niet volstaan. Als zij niet vele jonge dochters verliezen, wil maar bij het Christelijk geloof en bij het Christelijk leven bewaren wil, moet zij andere maatregelen nemen. En dan beveelt zich vóór alle andere middelen de herstelling van het instituut aan, dat in 1 Tim. 5 : 9 beschreven en boven nader uiteengezet werd. Tal van jeugdige meisjes in de gemeente hebben voorlichting en leiding van noode,

') Verg. breeder mijne Opvoeding der rijpere jeugd bi. 145 v.

Sluiten