Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wanneer de huisvrouwen op deze wijze weder de huishouding hebben leeren waardeeren en daarvoor met ernst zich voorbereiden, dan zal dit ook aan hare verhouding tot de dienstboden ten goede komen. Deze verhouding laat thans, evenals trouwens ook wel in vorige tijden, te wenschen over. Het schijnt in den geest destijds te liggen, zegt Mevr. van Dorp, dat de vrouwen hoe langer hoe minder lust in dienen hebben ; de meisjes uit het volk willen voor alles vrij zijn en hooger op ; ze willen dames zijn, en de dames bemoeien zich hoe langer hoe minder met de huishouding, ze gaan hoe langer hoe meer uit, leeren het meisje niets en maken daardoor het dienen hoe langer hoe minder aanlokkelijk en aangenaam. Er ligt hier schuld aan beide zijden; de wanverhouding heeft haar grondoorzaak in de oppervlakkige genotzucht, die meer en meer alle standen doortrekt.])

Wetten, hoe goed ook, kunnen hier weinig verbetering in aanbrengen ; ze worden vooral gemaakt, om misbruiken te voorkomen. Als de verhouding goed zal worden, dan moeten huisvrouwen en dienstboden weder hart voor elkaar krijgen, elkanders belangen behartigen, en zich weder gaan gevoelen als huisgenooten. En daarvoor is waardeering een eerste vereischte; waardeering van den persoon en van zijn arbeid. Als de vrouwen weder op de huishouding zich gaan toeleggen en haar niet beneden zich achten, dan zal dit op den duur ook de gedachte der dienstboden over dezen arbeid veranderen. Onbekend maakt onbemind; maar wat men kent, dat krijgt men ook lief, omdat het leven interressant is, waar men het aangrijpt. De kook- en huishoudscholen kunnen hierbij goede diensten bewijzen, vooral indien ze meer algemeen worden, niet in de theorie zich verliezen maar zich eng bij het reëele leven aansluiten, en rekening houden met het feit, dat het leven in de lagere volksklassen uiterst sober en eenvoudig is.

Maar de huishoudscholen, hoe belangrijk ook, zijn niet de eenige, welke in den tegenwoordigen tijd voor de opvoeding der vrouw

') Mr. E. C. van Dorp, Rechten en Plichten van Dienstboden en Werkgeefsters, Maatsch. v. g. en goedk. Lectuur, Amsterdam bl. 6, 7.

Sluiten