Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die voor den duur van het geheele leven op aarde nog eenige malen vergroot moesten worden. Sommigen kwamen daarom, met Darwin zelf in de eerste uitgave van zijn Origin of Species, tot driehonderd millioen jaren voor den ouderdom van het leven op aarde, en de meesten spraken van nog grootere cijfers 1).

Maar hiertegen kwam allengs van den kant der natuurkundigen en der geologen verzet. Dezen gingen ook zeiven aan het rekenen, en trachtten langs verschillende wegen en op verschillende manieren den ouderdom van de aarde, den oceaan, de maan, de zon bij benadering vast te stellen. En ofschoon zij onderling daarbij weder over millioenen van jaren verschillen, toch was de tijd, door hen voor dien ouderdom aangenomen, over het algemeen veel korter dan die door de biologen werd geëischt. Zij spraken hoogstens van tachtig of honderd, en daalden soms tot tien en twintig millioen jaren af. Wanneer de ouderdom der aarde nu geenlangeren tijd dan van tien tot honderd millioen jaren vereischt — en deze berekening is blijkens dit verschil weer hoogst onzeker en ieder oogenblik voor wijziging vatbaar 2), — dan spreekt het vanzelf, dat het onstaan van het leven en van den mensch nog weer veel korter tijd van ons verwijderd is. Hierover loopen de gevoelens dan ook weer sterk uiteen. Sommigen zooals Bourgeois, Delaunay, de Mortillet, Quatrefages e. a. nemen aan, dat de mensch reeds in de tertiaire periode voorkomt; anderen daarentegen, zooals Virchow, Mor. Wagner, Oskar Schmidt, Zittel, Carthaillac, John Evans, Joseph Prestwich, Hughes, Branco, Wasmann, Dawson, Haynes enz. zijn van oordeel, dat hij eerst in de quaternaire periode op het tooneel verschijnt 3). De beslissing is ook daarom moeilijk, wijl de grenzen tusschen beide perioden niet duidelijk te trekken zijn en de perioden in verschillende streken der aarde zeer goed naast elkander hebben kunnen bestaan. Maar ook al heeft de

') Hugo de Vries, Afstamming- en Mutatieleer bl. 14. Wright, Wetenscli. Bijdragen 176. Orr, t. a. p. 176.

2) Orr, Gods Image in Man 168.

3) Orr, t. a. p. 174. 306. J. Guibert, Les origines4. Paris 1905 bl. 272 v. Gutberlet, Der Mensch 265 v. Wasmann, Die moderne Biologie 302. Volgens Wasmann zijn er resten van tertiaire menschen nog niet gevonden, en zijn de sporen van menschelijke werkzaamheid, welke men in de tertiaire periode meent gevonden te hebben, zeer twijfelachtig. Daarentegen zijn er vele diluviale menschenresten over en deze bewijzen alle, dat de mensch toen reeds was »ein vollendeter homo sapiens".

Sluiten