Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mensch in de tertiaire periode geleefd en al is hij een tijdgenoot van den mammuth geweest, dan volgt daaruit nog niet, dat de mensch zoo oud is, maar kan er evengoed uit worden afgeleid, dat die periode veel jonger is, dan men aanvankelijk heeft gemeend. Inderdaad is men in de berekening van den ouderdom van den ijstijd tot eene bescheiden aantal van jaren teruggekeerd. Er bestaat in de laatste jaren op dit punt zelfs vrij groote overeenstemming; de meeste deskundigen, zooals Gr. F. Wright, Salisbury, Winchell e. a. komen tot de conclusie, dat de ijstijd in Amerika en bij benadering dan ook die in Europa niet meer dan een acht of tienduizend jaren achter ons ligt 1). Hierbij moet men nog altijd weer in gedachte houden, dat de berekeningen, gebouwd op de in Zwitserland en ■elders gevonden paalwoningen, op de beenderen en schedels, welke in holen bij Luik, Amiens, Dusseldorf en in vele andere plaatsen aangetroffen zijn, op de deltavormingen van Nijl en Mississippi, op de formatie van den waterval aan de Niagara en van St. Anthony bij Minneapolis, op den duur der steen-, brons- en ijzerperiode enz., dat al die berekeningen op een hypothetischen grondslag rusten en lang niet boven allen twijfel verheven zijn. Hier nog meer dan bij den ouderdom der aarde geldt het, dat men wel getallen noemen kan, maar dat men geen stof heeft voor eene geschiedenis in zoo langen tijd.

Van veel meer waarde voor de bepaling van den ouderdom van het menschelijk geslacht zijn de chronologische gegevens, welke door de historie en de monumenten van verschillende volken worden aan de hand gedaan. De geschiedenis van Indië en China levert geen vaste basis voor de chronologie en klimt slechts enkele eeuwen vóór Christus op. Maar met de geschiedenis van Egypte en Babylonië is het eenigszins anders gesteld. Hier is ongetwijfeld eene oude beschaving; ze bestaat reeds zoover wij in de historie terug kunnen gaan. De Schrift zelve leert dat ook duidelijk. Maar toch is de chronologie nog zoo onzeker, dat er weinig op te bouwen valt. Dit blijkt afdoende daaruit, dat de regeering van den Egyptischen koning Menes, volgens Champollion begint in 5867, volgens Boeckh in 5702, volgens Unger in 5613, volgens Brugsch in 4455, volgens

') Orr, Gods Image in Man 30(5. Wright, Wetensch. Bijdragen 201—207. Upham, Die Zeitdauer der geologischen Epochen, in het tijdschrift Gaea XXX 1894 bi. ■621 v. haalt verschillende geleerden aan, die den ijstijd omstreeks zeven of acht ■duizend jaren vóór Christus plaatsen.

Sluiten