Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Lauth in 4157, volgens Lepsius in 3892, volgens Bunsen in 3623r volgens Eduard Meyer in 3180, volgens Wilkinson in 2320 — een verschil van niet minder dan 3500 jaren; en dat Bunsen den historischen tijd voor Babyion laat beginnen in 3784, v. Gutschmid in 2447, Brandis in 2458, Oppert in 3540 enz.x). Ieder beoefenaar der oude geschiedenis heeft zijn eigen chronologie —; het is een labyrinth, waarbij de draad ontbreekt; alleen bij het volk van Israël is er in eigenlijken zin van eene geschiedenis en van eene tijdrekening sprake, Fritz Hommel zegt daarom terecht, dat de chronologie voor de eerste duizend jaren vóór Christus vrij vast staat, soms tot bijzonderheden toe; dat in de tweede duizend jaren vóór Christus slechts enkele vaste punten schijnen gegeven te zijn, en dat in de derde duizend jaren, d. i. vóór 2000 v. Chr. alles onzeker is 2). Trouwens, het menschelijk geslacht kan ook om andere redenen geen vele duizenden jaren vóór Christus hebben bestaan. De bevolking der aarde zou dan ten tijde van Christus veel grooter zijn geweest en veel meer zijn verspreid. En toch duizend jaren v. C. was het grootste deel der aarde nog onbewoond, Noord-Azië, Midden- en Noord-Europa, Africa ten Z. van de Sahara, Australië, de Zuidzeeeilanden, Amerika. Zelfs ten tijde van Christus was, behalve in Azië, de menschheid voornamelijk nog wonende rondom de Middellandsche zee. Indien de menschheid zoo oud ware, zouden er ook veel meer ruïnen van steden en overblijfsels van menschen gevonden zijn, die nu slechts schaarsch in getal zijn en tot een deel der aarde beperkt. De betrouwbaarste getallen gaan daarom niet hooger op dan tot vijf a zeven duizend jaren vóór Christus 3). Indien wij daarbij bedenken, dat er ook over de chronologie de Bijbels nog alles behalve overeenstemming bestaat 4), dan is er ook bij dit punt

') Hettinger, Apol. III 258 v. Baumgartner, Gesch. der Weltliteratur I 1897 d1. 89. //. II. Kuyper, Evolutie of Revelatie bl. 76. 90. De jongste opgravingen, in Egypte hebben tot de onderstelling geleid, dat aldaar aan den historischen tijd nog eene vóórhistorische beschaving voorafgaat, waarvan een oud inlandsch ras de drager was, verg. het artikel: Egypte vóór den tijd der Piramiden, Wet. Bladen 1907 Aug. bl. 274—293, Sept. bl. 436—453. Orr, Gods Image in Man, 179. 306.

') Hommel, Gesch. des alten Morgenlandes. Stuttgart 1395 bl. 38.

3) Pfaff, Schöpf. 710—728. Gander, Die Sündflut 1896 bl. 78—90. Schanz, Da* Alter des Menschengeschlechts 1896.

*) Verschillende pogingen zijn beproefd, om de chronologie des Bijbels te verlengen en zoo met die van natuur- en geschiedwetenschap in overeenstemming te brengen. De chronologie van den Hebr. tekst des O. T. is een andere dan

Sluiten