Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rassen van verschillende stamvaders, bij Paracelsus e. a.; deels als praeadamitisme, d. i. afstamming der wilde en donkerkleurige volken van een stamvader vóór Adam, terwijl deze dan alleen de stamvader was van de Joden of ook van de blanke menschkeid, bij Zanini en vooral bij Isaac de la Peyrère. Deze laatste gaf in 1655 zonder naam van schrijver, drukker of plaats een werkje uit, getiteld: Praeadamitae, en daarachter een Systema theologiae ex praeadamitarum hypothesi. Daarin werd beweerd, dat er al lang vóór Adam menschen hadden bestaan, met beroep op Gen. 4: 14, 16, 17, 6:2—4. Deze menschen stamden af van dat eerste paar, welks schepping in Gen. 1 wordt bericht. In Gen. 2 echter wordt de schepping verhaald van Adam en Eva, die de stamvaders waren van de Joden. Dezen overtraden de wet, die hun in het paradijs was gegeven, en vielen in nog grootere zonden dan de volken, uit den eersten mensch afkomstig, want dezen zondigden niet, zooals Paulus, Rom, 5 : 12—14, het uitdrukt, in gelijkheid der zonde van Adam: zij overtraden geen positieve wet; zij begingen peccata naturalia, maar geen peccata contra legem. Deze theorie maakte een tijd lang grooten opgang en riep van allen kant bestrijders op '). Maar ze raakte toch spoedig in vergetelheid. Slechts enkelen zooals Bayle, Arnold, Swedenborg achtten ze niet geheel verwerpelijk. Vooral toen in de achttiende eeuw de kennis van de volken uitgebreid werd en het groote onderscheid in kleur, haar, gestalte, gewoonte enz. tusschen de volken werd ingezien, toen kwamen velen weer op het denkbeeld van verschillende stamvaders, Sullivan 1795, Crüger 1<84, Ballenstedt 1818, Stanhope Smith 1790, Cordonnière 1814, Gobineau 1853—-55 e. a. Door sommigen werd dit dienstbaar gemaakt aan de verdediging der slavernij, zooals door Dobbs in Ierland tegen Wilberforce, door Morton Nott, Gliddon, Knos, Agassiz e. a. Een ander soort van polygenisme werd door Schelling geleerd 2). Hij nam ook vele rassen van menschen aan vóór Adam, maar deze hadden zich van een laag, dierlijk standpunt zoo opgeheven en ontwikkeld, dat ze eindelijk hem voortbrachten, in wien het menschelijko eerst tot openbaring kwam en die daarom terecht den naam van den mensch, haadam, dragen kon. En evenzoo werd een

') Spanheim, Op. III 1249 v. Turretinus, Theol. El. V qu. 8. Marck, Historia Paradisi II 2 § 3 v. Moor, Comm. II 1001—5. M. Vitringa II 127, cf. Studiën en Bijdragen van de Moll en Scheffer IV 238 v. Zóckler, Gesch. der Bez. I 545 v. II 768 v. Urstand 231 v.

2) Schelling, Werke II 1 bl. 500—515.

Sluiten