Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scheuring nog de eenheid bewaard. De taalwetenschap heeft verwantschap en eenheid van oorsprong ontdekt, waar die vroeger m de verste verte niet werd vermoed. Het bestaan van rassen en volken is een feit, en toch is de aanwijzing hunner grenzen zóó moeilijk, dat er het grootste verschil over bestaat. Kant nam 4, Blumenbach 5, Buffon 6, Peschel 7, Agassiz 8, Haeckel 12, Morton zelfs 22 verschillende rassen aan *). Onder alle rassen zijn er weer overgangen, die met elke indeeling den spot schijnen te drijven. Genesis 10 houdt dan ook de eenheid der menschheid bij alle verscheidenheid vast en Joh. von Müller zeide niet ten onrechte : von diesem Kapitel muss alle Historie anfangen. Tegen deze eenheid kan nu het Darwinisme eigenlijk geen bezwaar inbrengen. Het onderscheid tusschen mensch en dier is toch altijd veel grooter, dan tusschen de menschen onderling. Indien de mensch uit een dier zich ontwikkelen kon, is niet in te zien, waarom de gemeenschappelijke oorsprong der menschheid op zichzelve bezwaar ontmoeten zou. Het Darwinisme biedt inderdaad de middelen aan de hand, om allerlei veranderingen binnen dezelfde soort onder allerlei invloeden van klimaat, levenswijze enz. mogelijk en begrijpelijk te maken. In zoover bewijst het aan de verdediging der waarheid uitnemenden dienst. Want, hoe groot het verschil tusschen de rassen ook wezen moge, de eenheid en de verwantschap van alle menschen treedt bij dieper onderzoek toch daardoor te sterker op den voorgrond 3). Zij komt daarin uit, dat ouders van de verschillendste rassen paren en vruchtbare kinderen kunnen voortbrengen; dat iedere klasse van menschen elke zone der aarde bewonen en daar leven kan; dat volken, die nooit met elkander in aanraking zijn geweest, toch verschillende eigenschappen en gebruiken met elkander gemeen hebben, zooals gebaarden, decimaalstelsel, huidverving, tatoueering, besnijdenis, couvade enz.; dat tal van physiologische verschijnselen bij alle rassen gelijk zijn, zooals de opgerichte

') Peschel, Völkerkunde 316 v. Schuriz, Völkerkunde. Leipzig 1893. Guibert, Les origines 215 v.

-) De beteekems der rassen wordt beurtelings overdreven, zooals door Ammon, Driesmann, H. St. Chamberlain, Dühring, Gumplovicz, Nietzsche, Marx enz., en beurtelings te gering geacht, zooals door Jentsch, Hertz, Colajanni, vooral Finot, verg. Snijders, Het ontstaan en de verbreiding der menschenrassen, Tijdsp. April 1897. Steinmetz, De rassenkwestie, Gids Jan. 1907. II. Kern, Rassen, Volken,

Maten. Haarlem Bohn 1904. Oud en Nieuw over de menschenrassen, Wet. Bladen, Juni 1904 bl. 337-357.

Geref. Dogmatiek II.

OU

Sluiten