Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 37. Het Wezen van den mensch.

Oehler, Theol. d. A. T.' bl. 21!» v. Hofmann, Schriftbeweis2 II 276 v. Delitzsch, Bibl. Psych2. 57 v. 149 v. Art. Geist, Herz, Seele, Ebenbild Gottes, (urspriingliche) Gerechtigkeit in PRE3. John Laidlaw, The Bible doctrine of man. Edinburgh 1895. Van Leeuwen, Bijbelsche Anthropologie. Utrecht 1900.

Damascenus, de fide orthod. II 10 v. Lombardus, Sent. II dist. 16. Thomas, S. Theol. I qu. 75 v. Bonaventura, Brevil. II 9 v. Petavius, de raundi opificio1. II. Bellarminus, Controv. IV lib. 1: de gratia primi hominis. Kleutgen, TheoL der Vorzeit II2 6—151. 507—615. Möhler, Symbolik bl. 25 v. Heinrich, Dogra. Theol. VI bl. 1 v. Stöckl, Die speculative Lehre vom Menschen nnd ihre Geschichte 1858. Osicald, Relig. TJrgesehichte der Menschheit 1887.

Luther bij Köstlin, Luthers Theol. I 121 v. II 358 v. Zwingli bij <?. Oorthuys, De anthropologie van Zwingli. Leiden 1905. Calvijn bij A. S. E. Tal ma, De anthropologie van Calvijn. Utrecht 1882. Gerhard, Loei Theol. loc. \ III. Quenstedt, Theol. II cap. 1. Hollaz, Ex. theol. bl. 406 v. Calvijn, Inst. I 15. Polanus, Synt. Theol. V c. 26 v. Zanchius, Op. III 477 v. Synopsis pur. theol. disp. 13. Mastricht, Theol. III c. 9. Turretinus, Theol. El. 1. VIII. Marei-, Historia Paradisi 1705. Moor, Comm. II 978 v. M. Vitringa, Doctr. Ohr. rel. 126 v. Hodge, Syst. Theol. II 42 v.

Schleiermacher, Chr. Gl. § 59—61. Dorner, Gl. I 501 v. Philippi, Kirchl. Gl. II 337 v. Frank, Chr. Wahrheit I 36 v. Kohier, Chr. Lehre3 bl. 109 v. Von Oettingen, Luth. D. II 363 v.

284. Het wezen van den mensch ligt daarin, dat hij Gods beeld is. De gansche wereld is eene openbaring Gods, een spiegel van zijne deugden en volmaaktheden; elk schepsel is op zijne wijze en in zijne mate belichaming van eene Goddelijke gedachte. Maar onder alle schepselen is alleen de mensch beeld Gods, de hoogste en rijkste openbaring Gods en tegelijk daardoor het hoofd en d& kroon der gansche schepping, imago Dei en compendium naturae, [iixQO&eog en iiixooxorttioc te zamen. Zelfs Heidenen hebben deze waarheid erkend en den mensch Gods beeld genoemd. Pythagoras,. Plato, Ovidius, Cicero, Seneca en anderen spreken het klaar en duidelijk uit, dat de mensch of althans zijne ziel naar Gods beeld geschapen is, dat hij Gode verwant en zijn geslacht is '). En dat niet alleen, maar schier alle volken hebben tradities van een gouden tijdvak, een aurea aetas. Bij Chineezen, Indiërs, Eraniërs, Egyptenaren, Babyloniërs, Grieken, Romeinen enz. treft men verhalen aan van een vroegeren tijd, waarin de mensch in onschuld en zaligheid

) Pfanner, Syst. theol. gent. 1679 bl. 189 v.

Sluiten