Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leefde en in gemeenschap stond met de goden. Ze werden door de dichters Hesiodus, Ovidius, Vergilius bezongen, en door de wijsgeeren in hun waarheid erkend 1). Toch stelt de H. Schrift deze leer van 's menschen Ebenbildlichkeit met God eerst in het ware, volle licht. Het eerste scheppingsverhaal bericht, dat God na opzettelijke beraadslaging den mensch schiep uniaiD irrpsa, xcer tixova rjfisrsQav xca xatf óiioiwatv, ad imaginem et similitudinem nostram, Gen. 1:26, 27. Voorts wordt Gen. 5:1 en 9:6 nog herhaald, dat God den mensch schiep Dtttn en nbxa; Psalm 8

bezingt den mensch als heer van het geschapene, en Pred. 7:29 herinnert, dat God den mensch "ro; heeft gemaakt. Overigens spreekt het O. Test. weinig van den status integritatis; Israël was meer dan eenig ander volk een volk der hope; zijn oog was niet naar het verleden maar naar de toekomst gericht. Zelfs het N. Test. spreekt betrekkelijk zelden over het beeld Gods, waarnaar de mensch oorspronkelijk geschapen werd. Rechtstreeks vinden wij daarvan alleen melding in 1 Cor. 11: 7, waar de man slxwv xca (Soga d-eov heet, en Jak. 3 : 9, waar van de menschen gezegd wordt, dat ze xaih' uuoimgiv ,'Jtov ytyovoiag; terwijl Lukas 3:38 Adam den zoon van God noemt en Paulus met een heidensch dichter zegt: rov yuQ xca ytvog sa/xsv, Hd. 17 : 28. Zijdelings echter is ook Ef. 4:24 en Col. 3:10 hier van groote beteekenis; er is daar sprake van den xaivog of rtog dvÜQumog, dien de geloovigen moeten aandoen; en van dezen heet het, dat hij in overeenstemming met God, xaia 0-eoi', geschapen werd, xTiathevvu, in gerechtigheid en heiligheid der waarheid, en tot kennis vernieuwd wordt xai' tixova tov xitoai'Tog avrov. Er ligt hier in: 1° dat de nieuwe mensch, dien de geloovigen aandoen, door God geschapen werd; 2° dat deze nieuwe mensch in overeenstemming met God en naar zijn beeld is gemaakt, en 3° dat die overeenstemming bepaaldelijk uitkomt in de gerechtigheid en heiligheid als vrucht der gekende waarheid. Dit slaat echter in zooverre op de oorspronkelijke schepping terug, als de woorden, waarvan Paulus zich bedient, duidelijk

') Friderici, diss. de aurea aetate quam poetae finxerunt. Lips. 1736. Liiken, Traditionen des Menschengeschl. 1869. Zöckler, Lehre v. Urstand des Menschen 1879 bl. 84 v. Oswald, Heiig. Urgesch. der Menschheit 1887 bl. 37 v. E. L. Fischer, Heidenthum und Offenbarung. Mainz 1878. Zöckler, Bibl. u. Kirchenhist. Studiën, 1893 V 1 v. Willmann, Gesch. d. Idealismus I 1894 bl. 1—136. Tiele, Inleiding tot de godsdienstwet. II 1899 bl. 93 v. 197.

Sluiten