Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daaraan zijn ontleend; als de tweede schepping, naar heel de leer der Schrift, geen creatio ex nihilo is, maar eene vernieuwing van wat bestond; en als het dvccxaivovad-cci van den geloovige deze schepping duidelijk als eene hernieuwing beschrijft. Aan Ef. 4:24 en Col. B : 10 ligt daarom de gedachte ten grondslag, dat de mensch oorspronkelijk naar Gods beeld werd geschapen en nu in de herschepping daarnaar vernieuwd wordt.

Maar de Schrift verhaalt niet alleen het feit van de schepping des menschen naar G-ods beeld, zij verklaart er ons ook de beteekenis van. De beide woorden übü en mm, slxoov en ó/ioiwaig, zijn zeker niet identisch, maar een wezenlijk, zakelijk onderscheid is er toch niet tusschen aan te wijzen. Zij worden promiscue gebruikt en wisselen zonder bepaalde reden met elkander af. In Gen. 1:26, cf. 5:3 staan ze beide; in 1:27 en 9:6, cf. Col. 3 :10 staat alleen beeld; in Gen. 5 :1, Jak. 3 : 9 alleen gelijkenis. Het onderscheid, dat er tusschen beide bestaat, komt hierop neer: cbi: beteekent beeld, zoowel Urbild als Abbild, ~r:~ beteekent gelijkheid, zoowel Vorbild als Nachbild. Der Begriff von abs ist starrer, der von flüsziger und so zu sagen geistiger; in jenem überwiegt die Vorstellung des Urbilds, in diesem die Vorstellung des Ideals 1). De gelijkenis is eene nadere bepaling, eene versterking en aanvulling van het beeld. Gelijkenis is op zichzelf zwakker en ruimer dan beeld; een dier heeft wel eenige trekken van gelijkheid en overeenkomst met, maar is toch geen beeld van den mensch. Beeld drukt uit, dat God archetype en de mensch ectype is; gelijkenis voegt er aan toe, dat dat beeld in allen deele met het origineel overeenkomt z). Even weinig als tusschen deze beide begrippen, is er een wezenlijk onderscheid tusschen de praeposities 2 en a, die hierbij gebruikt worden. Ook deze wisselen met elkaar af; in Gen. 5 : 1 staat a bij m™, in vers 3 evenzoo en tevens 3 bij cbï; in het N. T. staat xara bij elxcov, Col. 3:10, maar ook bij ó/ioiwaig, Jak. 3:9. Er kan hier dus niets op gebouwd worden; alleen laat zich met Delitzsch zeggen; bei a denkt man sich die Urform gleichsam als Gussform, bei a als vorgehaltenes Muster. Er bestaat daarom geen grond, om met Böhl uit die praepositie a af te leiden, dat het beeld

*) Delitzsch op Gen. 1 : 26. Verg. ook Tl*. Riedel, Altt. Untersuchungen. Leipzig 1902 bi. 42-47.

2) Augustinus, quaest. 83 qu. 74. Thomas, S. Theol. I. qu. 93 art. 9. Gerhard, Loei tlieol. VIII § 18. Polanus, Svnt. Theol. V 10 enz.

Sluiten