Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gods een sfeer en element is, waarin de mensch geschapen werd').

Behalve deze woorden, biedt de Schrift voor den inhoud van het beeld Gods de volgende gegevens. Vooreerst is het duidelijk, dat de woorden beeld en gelijkenis niet iets uitdrukken in God maar in den mensch, niet aanduiden de imago increata of archetypa maar de imago creata of ectypa. De bedoeling is niet, dat de mensch geschapen is naar iets in God, dat den naam van beeld -en gelijkenis draagt, zoodat b.v. daarmede de Zoon zou zijn aangeduid ; maar de mensch is zoo naar God geschapen, dat hij zijn beeld en gelijkenis is. Vervolgens wordt deze schepping naar Gods beeld in geen enkel opzicht beperkt, noch naar de zijde der archetype noch naar die der ectype. Er wordt niet gezegd, dat de mensch alleen naar enkele deugden of ook naar één persoon in het Goddelijk wezen is geschapen, noch ook, dat de mensch slechts voor een deel, naar de ziel of naar het verstand of naaide heiligheid alleen, Gods beeld en gelijkenis draagt. Veeleer is de gansche mensch beeld der gansche Godheid. Ten derde wordt de beteekenis van het beeld Gods ons nader verklaard door den Zoon, die in geheel eenigen zin Aoyoc, vlog, tixaiv, xaouxiiio tov x'J-sov heet, Joh. 1: 1, 14, 2 Cor. 4:4, Col. 1:15, Hebr. 1:3, en wien wij weder gelijk moeten worden, Rom. 1: 29, 1 Cor. 15 : 49, Phil. 3 vs. 21, Ef. 4: 23 v., 1 Joh. 3 : 2. De Zoon draagt nu al deze namen, omdat Hij God uit God en licht uit licht is, hetzelfde wezen en dezelfde deugden met den Vader deelachtig. Hij heet alzoo niet van wege een deel of stuk van zijn wezen, maar omdat Hij absoluut met den Vader overeenkomt. Dit nu geldt op zijne beurt ook van den mensch. Gelijk de Zoon, zoo is de mensch als zoodanig, geheel en al, beeld Gods. Hij draagt maar niet, hij is het beeld Gods. Echter natuurlijk met dit verschil, dat wat de Zoon in absoluten zin is, de mensch is in relatieven zin. Gene is de eeuwige, eeniggeboren Zoon; deze is de geschapen zoon Gods. Gene is het beeld Gods binnen, deze buiten het Goddelijk wezen. Gene is het beeld Gods op Goddelijke, deze op creatuurlijke wijze. Maar zoo is de mensch dan ook in zijne mate beeld en gelijkenis Gods. Eindelijk ten vierde wordt hier en daar ook aangewezen, waarin dat beeld zich openbaart en naar buiten treedt. Nergens wordt de volle inhoud van dat beeld Gods ontvouwd. Maar Gen. 1: 26 wijst duidelijk aan,

l) Böhl, Dogm. 154 v. Verg. daartegen Kuyper, De vleesch wording des Woorda 1887 bl. VIII v. Daubanton, Theol. Stud. 1887 bl. 429—444.

Sluiten