Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat dat beeld Gods uitkomt in zijne heerschappij over al het geschapene, cf. Ps. 8, 1 Cor. 11:7. De schildering van den paradijstoestand in Gen. 1 en 2 toont, dat dat beeld Gods ook de overeenstemming met den wil Gods insluit, cf. Pred. 7:29. En de herschepping naar het beeld van God of Christus wordt voornamelijk gesteld in het aandoen van den nieuwen mensch, die o. a. bestaat in gerechtigheid en heiligheid der waarheid.

285. Over den inhoud van het beeld Gods heerschte in de Christelijke kerk aanvankelijk allerlei verschil van gevoelen. Het werd nu eens gesteld in 's menschen lichaam, dan in zijne redelijke natuur» of in zijne wilsvrijheid, dan weer in zijne heerschappij of ook in andere zedelijke deugden zooals liefde, gerechtigheid enz 1). Maar langzamerhand kwamen toch twee opvattingen duidelijk naast en tegenover elkander te staan, die beide zich beroepen op de onderscheiding van abï en r-"". Sommigen nl., zooals Clemens Alexandrinus, Origenes e. a. merkten op, dat Gen. 1 : 2b wel zegt, dat God den mensch wil scheppen naar zijn beeld en gelijkenis, maar dat Hij hem volgens vers 27 feitelijk alleen schept naar zijn beeld, d. i. met eene redelijke natuur, opdat de mensch nu de gelijkenis met God zelf in den weg der gehoorzaamheid verwerven en aan het einde als loon uit Gods hand ontvangen zou 2). Anderen daarentegen waren van oordeel, dat de mensch met het beeld, d. i. de redelijke natuur, ook terstond de gelijkenis als gave ontving, en dat hij, deze door de zonde verloren hebbende, ze door Christus herkrijgt 3). De eerste opvatting, die men de naturalistische zou kunnen noemen, vond steun in de leer der wilsvrijheid, waardoor men de heiligheid zich niet denken kon als eene terstond aan den mensch geschonkene gave Gods, maar slechts als een door den mensch zelf in den weg van zedelijke inspanning te verwerven goed 4). Velen leerden dan ook, dat de mensch geschapen was in een toestand, niet van positieve heiligheid maar van kinderlijke onschuld 5). Op zulke uitspraken beriep zich later Pelagius, als hij

') Verg. plaatsen bij Suicerus s. v. f-ixwr. Petavius, de sex dier. opif. II c. 2. Münscher-von Coelln, D. G. I 339 v. Hagenbach, D. G. § 56.

2) Clemens, Strom. II c. 22. Origenes, de princ. III 6.

') Irenaeus, adv. haer. V 16, 2. Athanasius, c. Ar. II 59. c. Gent. 2. de ini-arn 3.

4) Harnack, D. G. II 134 v.

6) Tertullianus, de an. 38. Theophihis, ad Autol. II 24. 27. Irenaeus, adv. haer. IV 38.

Sluiten