Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het wezen en den oorspronkelijken toestand des menschen stelde in zedelijke indifferentie, in niets dan formeele kies vrijheid. Het beeld Gods bestaat alleen in de door God geschonken naturalis possibilitas perfectionis, welke onverliesbaar is en daarom nu nog het deel is van ieder menseh. God schenkt het posse, maar onzer is het veile '). Later vond deze opvatting ingang bij de Socinianen, die het beeld Gods alleen gelegen achtten in de heerschappij 2); bij de Wederdoopers, die zeiden, dat de eerste mensch als eindig, aardsch schepsel nog niet beeld Gods was maar het door wedergeboorte eerst worden kon 8); bij de Remonstranten 4), bij de Rationalisten en Supranaturalisten 6), en bij vele nieuwere theologen B), die allen den status integritatis laten bestaan in een toestand van kinderlijke onschuld. Gewoonlijk houden al deze theologen nog wel vast aan de historische waarheid van zulk een oorspronkelijken toestand. Maar zakelijk komen zij in de opvatting van het beeld Gods bij den eersten mensch geheel overeen met hen, die, de idee losmakende van het feit, de werkelijkheid van den status integritatis loochenen en het beeld Gods alleen stellen in de vrije persoonlijkheid, in de redelijke of zedelijke natuur, in den religieus-ethischen aanleg, in de bestemming des menschen tot gemeenschap met God 7). Ongemerkt leidt deze opvatting dan heen tot de leer der evolutie, volgens welke het wezen des menschen gelegen is, niet in wat hij was of is, maar in hetgeen hij in eindelooze ontwikkeling door eigen

') Augustinus, de gratia Chr. I 3 v.

*) Fock, Der Socinianismus 484.

*) Menno Simons, Werken 125. 126. 180. Verg. Erbkam, Gesch. der Prot. Sekten 461. Cloppenbwrg, Op. II 144 v.

*) Conf. Remonstr. V 5. Apol. conf. ib. Episcopms, Instit. theol. IV 3, 7. Limborch, Theol. Christ. II 24, 5.

') Wegscheider, Inst. theol. § 99. Bretschneider, Dogm. § 115. 116. Beinhard, Dogm. § 70.

6) Bomer, Gl. I 515. Lange, Dogm. II 298 v. Muller, Siinde II 457 v. Beek, Lehrw. I 186 v. Chr. Gl. II 328 v. Martensen, Dogm. 139. Kalmis, Dogm. I 432. Zöckler, Lehre v. Urstand des Menschen 1879 bl. 40 v. 333. Grétillat, Theol. syst. III 464 v. Hofstede de Groot, Gron. Godg. 89v. Doedes, Leer der Zaligheid § 24. Ned. Geloofsbel. 145. Heid. Catech. 69 enz.

') Kant, Relig. ed. Rosenkranz 27 v. Fichte, Die Bestimmung des Menschen 1800. Kegel, Werke XI 183 v. Schleiermaeher, Gl. § 59 — 61. Stransz, Gl. II 72. Biedermann, Dogm. II 562. v. Lipsius, Dogm. § 420. 440. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III3 314. Nitzscli, Ev. Dogm. 306 v. Kaftan, Dogm. § 39. Hiiring, Der Chr. Glaube bl. 248 v. Bovon, Dogm. Chrét. I 182. 139. Scholten, L. H. IC. I 304 v. II 67 v.

Sluiten