Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sie werden — ein Mensch konnte sie nicht erziehen. Also ist es nothwendig, dass sie ein anderes verniinftiges Wesen erzogen, das kein Mensch war, es versteht sich bestimmt nur so weit, bis sie sich selbst untereinander erziehen konnten. Ein Geist nahm sich ihrer an, ganz so wie es eine alte ehrwürdige Urkunde vorstellt, welche überhaupt die tiefsinnigste, erhabenste Weisheit enthallt und Resultate aufstellt, zu denen alle Philosophie am Ende doch wieder zurück kommen muss '). Om een wonder te ontgaan, moeten vele wonderen worden aangenomen. Ten derde ligt aan deze voorstelling de dwaling ten grondslag, dat er geen aangeboren heiligheid bestaanbaar is. Heiligheid, zoo zegt men, is altijd vrucht van strijd en inspanning. Indien Adam positief heilig werd geschapen, was hij noodwendig goed en ging zijne vrijheid te loor2). Zoo komt men er toe, om een toestand te iingeeren tusschen goed en kwaad, heilig en onheilig in, een indifferenten staat, die aan het zedelijke in bonam of malam partem voorafgaat, en waaruit de mensch zich dan door vrije wilsbeslissing in de eene of de andere richting ontwikkelen moet. De mensch wordt dan van allen intellectueelen en ethischen inhoud beroofd, en het beeld Gods wordt gesteld in de pure, naakte, bloot formeele persoonlijkheid3). Zulk een begrip van persoonlijkheid is echter eene loutere abstractie, waaraan in de werkelijkheid niets beantwoordt. Er is geen mensch denkbaar zonder bepaalde qualiteiten van verstand en wil. Eene volkomene indifferentie van den wil, zonder karakter, zonder neiging ter eene of ter andere zijde, is eenvoudig eene onmogelijkheid. Gelijk in de natuur alleen een goede boom goede vruchten kan dragen, zoo gaat ook in het ethische leven de goede natuur aan de goede werken vooraf. Operari sequitur esse. De Schrift leert dan ook, dat de heiligheid beide in schepping en herschepping eene gave Gods is. Wie haar heeft, kan haar verder ontplooien in woord en daad; maar wie ze mist, kan ze zich nimmer verwerven. En eindelijk doet deze voorstelling te kort aan de gerechtigheid Gods, die zijn schepsel heeft laten verzocht- worden boven vermogen; aan den ernst der verzoeking, die dan eene listige bedriegerij wordt; aan het karakter

') J. G. Fichte, Grundlage des Naturrechts 179(3.

2) Rothe, Theol. Ethik § 480 v.

3) Xitzscli, Syst. der Chr. Lehre bl. 211. Muller, Chr. Lehre v. d. Sünde I 154 v. 493 v. Kahnis, Dogm. I 432. Thomasius, Dogm. I 110 v. Beek, Glaub. II 333. Docdes, Leer der Zaligheid bl. 55 v.

Sluiten