Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den val, die ophoudt eene ontzettende schuld te zijn en verandert in een niet toerekenbaar ongeluk en bijna niet af te wenden lot. Zij wischt de grenzen uit, die er bestaan tusschen den status integritatis en den status corruptionis en laat den mensch het beeld Gods, dat in iets zuiver formeels bestaat, ook na den val ongestoord behouden. Zij denkt de verhouding tusschen het formeele (de persoonlijkheid, de wilsvrijheid) en het materiëele (het religieuze en ethische leven) even los en dualistisch, als Rome deze voorstelt tusschen pura naturalia en donum superadditum, alleen met dit verschil, dat de heiligheid bij Rome eene vrucht der gratia. is en bij Pelagius en de zijnen een product der willekeur.

"287. Naast en tegenover deze naturalistische opvatting van het beeld Gods kwam eene andere voorstelling te staan, die wij de supranaturalistische kunnen noemen. Zij kwam niet voort uit de onderscheiding tusschen abx en rr:", al is deze er later ook mede in verband gebracht. Zij is ook niet gebouwd op de uitlegging van G-en. 1 en '2, want velen erkennen, dat ze daar niet of althans niet letterlijk voorkomt. Maar zij is afgeleid uit de in de Christelijke kerk allengs opgekomen idee van den status gloriae, waartoe de geloovigen door Christus en zijn Geest worden verheven, Joh. 1 vs. 12, Rom. 8:14—17, 1 Cor. 2 : 7v., Ef. 1 : 15v., 2 Petr. 1: 2v., 1 Joh. 3:1, 2 enz. 1). Langzamerhand werd. deze status gloriae onder neoplatonischen invloed opgevat als een toestand, die den staat der natuur niet alleen in ethischen, maar ook in physischen zin ver te boven ging. Sedert de vierde eeuw trad in de christologische twisten deze gedachte zoozeer op den voorgrond, dat de Godheid des Zoons en des Geestes vooral daarmede werd betoogd, dat zij voor de menschen de auteurs van hunne vergoddelijking waren. Het wezen van den status gloriae kwam steeds meer te liggen in de visio Dei per essentiam, in de deiformitas of deiiicatio, in de niet slechts moreele maar physica participatio divinae naturae, in de Verschmelzung mit Gott 2). En bij deze leer van den status gloriae kwam nu nog die van de verdienstelijkheid der goede werken. De gratia infusa, die in den doop geschonken werd, was beslist noodig, maar stelde den mensch ook in staat, om zulke goede werken te doen, welke ex condigno de eeuwige zaligheid, de visio

'•) Scheeben, Dogm. II 272—281. 2) Verg. boven bi. 177—181.

Sluiten