Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maken tusschen wat van het beeld Gods overgebleven en hetgeen ^srvan verloren was. Daarvoor gebruikten zij de namen van substantia, essentia en dotes, dona, zelfs supernaturalia dona. De Apol. Conf. noemt de kennis, de vreeze Gods in Adam dona, en de iorm. €onc. spreekt van dotes in paradiso naturae concreatae x). De Luthersche dogmatici noemden het beeld Gods wel natuurlijk, inzoover de menschelijke natuur zonder dat beeld niet zuiver kon zijn en er terstond mede geschapen werd. Maar zij ontkenden, dat het beeld Gods in dien zin natuurlijk was, dat het uit de menschelijke natuur vanzelf als zoodanig voortvloeide en dus een onverliesbaar, essentieel bestanddeel van haar zou uitmaken; en sommigen, zooals Gerhard, Quenstedt e. a. noemden ook bepaald de supernaturalis Dei favor, de gratiosa s. trinitatis inhabitatio en de daaruit vloeiende suavitas et delectatio bepaald met den naam van dona supernaturalia ). Evenzoo onderscheidt Calvijn tusschen de substantia animae en hare dotes, en zegt met Augustinus, naturalia dona fuisse corrupta in homine per peccatum, supernaturalibus autem exinanitum fuisse; zelfs noemt bij deze laatste adventitia, praeter naturam 3). En vele Gereformeerde theologen maken in denzelfden zin onderscheid tusschen qualitates naturales en dona supernaturalia 4); de immortalitas wordt door velen niet uit Adams natuur maar uit de gratia Dei afgeleid 5). Zelfs werd de oude onderscheiding van beeld en gelijkenis door velen overgenomen en ook in dezen zin toegepast6). Toch werd het spoedig duidelijk, dat de Protestanten, ook waar zij de uitdrukking dona supernaturalia nog behielden, deze in •een anderen zin opvatten dan de Roomschen. Bij de laatsten is de bedoeling deze, dat er zeer goed een mensch denkbaar en mogelijk is zonder deze dona supernaturalia; wel heeft die mensch dan als redelijk zedelijk wezen ook eenige kennis van God, van de zedewet, van de gerechtigheid. Maar er is een essentieel onderscheid tusschen de kennis, de liefde, de gerechtigheid in natuurlijken en in bovennatuurlijken zin, tusschen den homo naturalis en supernaturalis,

') Miiller, Die symb. Bücher der ev. luth. K.5 bl. 80. 81. 580.

■) Gerhard, Loei theol. VIII c. 1—3. Quenstedt, Theol. II 1—48. Hollaz, Ex. theol. 461—488.

3) Calvijn, Inst. I 15, 2. II 2, 12.

4) Maccovius, Loei Comm. 105 v.

s) Zanchius, Op. III 497. Polanus, Synt. V 29. Junius, Op. I 211. Bucanus, 'Theol. XI 12. Maccovius, Loei 409.

*) Zanchius, Op. III 486. Martyr op Gen. 1 : 26. Alsted, Theol. schol. 281.

Sluiten