Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tusschen den mensch en den Christen, tusschen de wereld en de kerk, tusschen de natuur en de genade. De genade is niet bloot eene herstelling, maar eene verheffing, aanvulling van de natuur, eene elevatio, sublimatio naturae. Dit nu werd door de Hervorming principiëel bestreden. En daarom moest zij komen en kwam zij ook metterdaad tot de leer, dat het beeld Gods den mensch van nature eigen was en dat hij, zonder dat beeld, niet anders dan in natura impura, als zondaar, kon bestaan.

Maar nu was er onder de Hervormers ook weer verschil in de opvatting van het beeld Gods. In den eersten tijd stelden enkele Lutherschen het beeld Gods ook nog wel in het wezen van den mensch en in de substantie van de ziel*). Maar de Luthersclie theologie ging toch van eene andere gedachte uit. Haar subjectiefr soteriologisch karakter moest er toe leiden, om het beeld Gods alleen te zoeken in de zedelijke qualiteiten, die de eerste mensch ontving en welker verlies den mensch in godsdienstig en zedelijk opzicht tot een stok en een blok maakte. Luther legde menigmaal al den nadruk op de gaven en liet daarin het beeld Gods opgaan 2). De belijdenisschriften spreken in denzelfden geest 3), en evenzoo de theologen, Heerbrand, Hunnius, Gerhard, Quenstedt, Hollaz 4) enz. Wel ontkennen de Lutherschen niet, dat ook het wezen des mensclien quaedam iïaiu sive divina uitdrukt; maar het eigenlijke beeld Gods is alleen gelegen in de justitia originalis met de daaraan verbonden immortalitas, impassibilitas, dominium en conditio felicissima. Immers alleen de Zoon is essentieel en substantiëel het beeld Gods, Hebr. 1 vs. 3; in den mensch is het eene perfectio accidentalis, verliesbaar en verloren, Rom. 3:23, en alleen in den geloovige vernieuwd en hersteld, Rom. 8:29, 2 Gor. 3:18, 5:17, Ef. 4:24, Col. 3:10. De Gereformeerden echter namen van den beginne af aan ook het wezen van den mensch in het beeld Gods op. Heppe beweert ten onrechte, dat Calvijn en Zanchius alzoo niet hebben geleerd 5). Calvijn maakt wel onderscheid tusschen de substantia animae en hare dotes, maar zegt uitdrukkelijk, dat het beeld Gods bestond

') Luther bij Köstlin, Luthers Theol. 1 121. Melanchton, Hemming, Selnecker bij Heppe, Dogm. d. d. Prot. I 338 v.

2) Luther bij Köstlin II 358 v. Heppe I 345.

®) Muller t. a. p. 80. 576.

') Bijv. Gerhard, Loei VIII c. 1. Quenstedt, Theol. II 3—10. 17—23. Hollaz„ Ex. theol. 464 v.

*) Heppe, Dogm. der ev. ref. K. 169. 170.

Sluiten