Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij de harmonie, de gezondheid van zijne natuur verloren, is hij geheel en al een zondaar geworden; zijne natuur in den zin van substantie, essentie is gebleven, maar de hem van nature eigen zedelijke qualiteiten zijn verloren gegaan *). Deze schoone opvatting van het beeld Gods en van de oorspronkelijke gerechtigheid is nu in de Gereformeerde kerk en theologie nog beter tot haar recht gekomen dan in de Luthersche. Hier wordt het beeld Gods tot de oorspronkelijke gerechtigheid beperkt, en is dus met deze geheel te loor gegaan. De scheiding tusschen het geestelijke en het wereldlijke, tusschen het hemelsche en het aardsche wordt hier zoo scherp doorgetrokken en in twee hemisphaeria ingedeeld, dat het verband van natuur en genade, van schepping en herschepping geheel wordt miskend 2). De supranaturalistische voorstelling is hier nog niet geheel overwonnen; het beeld Gods staat los naast en boven de natuur, en het verlies ervan heeft wel tengevolge, dat de mensch in geestelijke dingen geheel doof en blind is, maar in aardsche dingen is hij nog tot veel goeds in staat en tot op zekere hoogte van de genade Gods in Christus onafhankelijk. De Gereformeerden echter hebben door hunne onderscheiding van het beeld Gods in ruimer en enger zin het verband van substantie en qualiteit, van natuur en genade, van schepping en herschepping het zuiverst

') Verg. Scholten, L. H. K. I 304—326. Cannegieter, De godsdienst in den mensch en de mensch in den godsdienst, Teylers Theol. Tijdschr. 1904 bl. 178—211, vooral bl. 199 v. A. Bruining, De Roomsche leer van het donum superadditum, Teylers Th. T. 1907 bl. 564-597. Laatstgenoemde handhaaft terecht, dat de homo naturalis bij Rome wel een godsdienstig wezen is, en dat dus de godsdienst, n.1. als religio naturalis, niet aan 's menschen wezen vreemd en niet als een donum superadditum er aan toegevoegd is. Maar hij verzwakt de beteekenis van de onderscheiding, welke Rome tusschen de religio naturalis en de religio supernaturalis maakt, als hij zegt, dat Bellarminus' beeld van den teugel ernaar een beeld en niets meer" is, dat het donum superadditum bij Rome toch eigenlijk met de pura natura samensmelt. Daardoor komt Dr. Bruining dan ook tot de gedachte, dat de Roomsche voorstelling het in redelijkheid van de Oud-Protestantsche wint en dat de Roomsche kerk hier sterk staat tegenover hare tegenpartij. Dit kan men alleen zeggen, als men de Roomsche leer van het beeld Gods in haar aard en in hare beteekenis voor het Roomsche systeem miskent en er niets in ziet dan een eigenaardigen, supranaturalistischen vorm voor de religieuze gedachte, dat niet mijn werk, maar een werken van God in mij, mij tot mijne hoogste bestemming brengt. Veel beter werd de leer van Rome geschetst door de Bussy, Katholicisme en Protestantisme, Theol. Tijdschr. 1888 bl. 253—313.

2) Verg. deel I 315.

Sluiten