Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook alle behoedzaamheid in acht te nemen 1). Aan de andere zijde vloeit uit de leer, dat de mensch naar Gods beeld geschapen is, voort, dat dat beeld over den ganschen mensch zich uitbreidt. Er is in den mensch niets van het beeld Gods uitgesloten. Alle schepselen vertoonen vestigia Dei, de mensch is imago Dei. En hij is dat geheel en al, in ziel en lichaam, in alle vermogens en krachten, in alle toestanden en verhoudingen. De mensch is beeld Godsr omdat hij en in zoover hij waarachtig mensch is, en hij is mensch, waarachtig, wezenlijk mensch, omdat en in diezelfde mate als hij beeld Gods is. Maar natuurlijk, gelijk de kosmos een organisme is en dus in sommige schepselen meer en in andere minder duidelijk Gods deugden openbaart, zoo komt ook in den mensch als organisme het beeld Gods hier duidelijker uit dan elders, in de ziel meer dan in het lichaam, in de ethische deugden meer dan in de pliysische krachten. Doch dit doet niets te kort aan de waarheid, dat de gansche mensch Gods beeld is. De Schrift zou niet op menschelijke wijze van God kunnen en mogen spreken en alle menschelijke eigenschappen op God mogen overdragen, indien God niet eerst den mensch geheel en al naar zijn beeld had gemaakt. En het is de taak der Christelijke theologie, om dit beeld Gods aan te wijzen in heel het wezen van den mensch.

Allereerst is het beeld Gods aanwijsbaar in de ziel van den mensch. Volgens Gen. 2:7 werd de mensch geformeerd uit het stof der aarde door inblazing van den B^n nttis:, en alzoo werd hij tot een fPH "ó;t:, t/'fX', Cwffa- De adem des levens is het levensbeginsel, de levende ziel is het wezen van den mensch. Door beide geeft de Schrift aan den mensch eene eigene, zelfstandige plaats en vermijdt zoowel het pantheïsme als het materialisme. De namen nil en tcvsv/icc en die in de Schrift het onzienlijk

bestanddeel van den mensch aanduiden, stellen dit helder in het licht. Het trichotomisme, dat principiëel wortelt in het dualisme van Plato en in de Christelijke kerk telkens bij gnostische en theosophische richtingen ingang vond, ziet daarin twee bijzondere substantiën 2). Maar ten onrechte. Hebr. 4 vs. 12 en 1 Thess. 5 : 23

■) Calvijn, Inst. I 15, 4. Comm. in Gen. 1 : 26. Synopsis pur. theol. XIII 7. Quensteclt, Theol. did. pol. II 4. Hollaz, Ex. theol. 466.

-) Het trichotomisme ging uit de Platonische philosophie in den eersten tijd tot enkele Christelijke schrijvers over, maar kwam later, vooral door Apollinaris, in discrediet. Eerst in den nieuweren tijd vond het weer ingang bij Olshausen, Beek, Delitzsch, Auberlen en anderen. In Engeland werd het, in verband met

Sluiten