Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot het beeld Gods. Wel is dit niet zoo te denken, dat God zelf een stoffelijk lichaam heeft, gelijk de Audianen meenden; noch ook, dat God, den mensch scheppende, een lichaam had aangenomen, zooals Eugubinus leerde; en evenmin, dat God den mensch geschapen had naar den Christus incarnandus, gelijk Osiander oordeelde. God immers is nvtviia, Joh. 4: 24, en heeft geen lichaam. Het menschelijk lichaam maakt niet in zijne stoffelijke substantie, als maar

wel in zijne organisatie tot werktuig der ziel, in zijne perfectio formalis, deel uit van het beeld Gods 1).

Gelijk God, ofschoon nvtviia zijnde, toch Schepper is van eene stoffelijke wereld, die zijne openbaring en verschijning heeten magr en deze openbaring haar hoogtepunt erlangt in de menschwording, zoo is ook de geest des menschen als ziel op het lichaam als zijne verschijning aangelegd. De menschwording Gods is het bewijs, dat niet de engel maar de mensch naar Gods beeld is geschapen en dat zijn lichaam daarvan een wezenlijk bestanddeel vormt. De schepping is van den beginne aan zóó ingericht en de menschelijke natuur is aanstonds zóó geschapen, dat zij vatbaar en geschikt was voor de hoogste gelijkvormigheid aan en voor de innigste inwoning van God. God zou geen mensch hebben kunnen worden, indien Hij niet eerst den mensch naar zijn beeld had gemaakt. En juist, omdat het lichaam als orgaan der ziel ook behoort tot het wezen van den mensch en tot het beeld Gods, daarom deelde het oorspronkelijk ook in de onsterfelijkheid. God is niet een God der dooden maar der levenden, Mt. 22: 32. De dood is een gevolg der zonde, Gen. 2:7, 3 : 19, Rom. 5 :12, 6 : 23, 1 Cor. 15 : 21, 56. Deze onsterfelijkheid bestond echter bij Adam nog niet in het non posse mori, in het eeuwige, onverderfelijke leven, maar slechts in het posse non mori, in het niet zullen sterven in geval van gehoorzaamheid. Ze was niet absoluut maar conditioneel, ze hing van eene ethische voorwaarde af. Het is daarom niet juist, om met de Pelagianen^ Socinianen, Remonstranten enz. te zeggen, dat de mensch sterfelijk is geschapen en de dood met het stoffelijk organisme vanzelf gegeven en dus de normale, natuurlijke toestand is. Maar toch is er andererzijds een wezenlijk verschil tusschen het niet-zullen-sterven

') Augustinus, de Gen. ad litt. VI 12. Gtegorius Ni/ss., de hom. opif. c. 8. Thomas, S. Th. I qu. 93 art. 6. S. c. Gent IV '26. Petavius, de sex dier. opif. II 4, 7 v. Ga -hard, Looi VIII 3. Calvijn, Inst. I 15, 3. Polanus, Synt. Theol. bl. 328. Zanchius, Op. III <177 v. Bucanus, Inst. theol. VIII 13. Synopsis pur. theol. XIII 13. Mastricht, III 9, 30.

Sluiten