Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die des menschen vanzelf en natuurlijkerwijs voortvloeien. Maar het heette zoo, omdat de grondslag, waarop het verbond rustte, d. i. de zedewet, den mensch van nature bekend was, en wijl bet opgericht werd met den mensch in zijn oorspronkelijken staat en door den mensch met de hem in de schepping geschonken krachten, zonder bovennatuurlijke genade, gehouden kon worden. Toen later de naam tot misverstand aanleiding gaf, werd hij liefst door dien van foedus operum, verbond der werken, vervangen; en dezen naam droeg het, wijl het eeuwige leven in dit verbond alleen te verkrijgen was in den weg der werken, d. i. van de onderhouding van Gods geboden. Dit verbond werd nu, als parallel van het foedus gratiae, door de Gereformeerden met bijzondere voorliefde geleerd en ontwikkeld 1). De belijdenisschriften maken er niet met zooveel woorden melding van; maar zakelijk is het toch reeds vervat in art. 14 en 15 der Ned. Gel., waar geleerd wordt, dat door Adams overtreding van het gebod des levens de geheele menschelijke natuur is bedorven 2), in Zondag 3 en 4 van den Heid. Cat., waar de mensch naar Gods beeld geschapen heet, opdat hij met God in de eeuwige zaligheid leven zou, maar ook door Adams val geheel bedorven wordt genoemd, en in cap. 3, 2 van de Ganones Dordr., waar het heet, dat de bedorvenheid van Adam op ons overgaat „naar Gods rechtvaardig oordeel'; formeel werd het werkverbond opgenomen in de Iersche artikelen, in de Westm. Confessie, in de Form. Cons. Helv., en in de AValchersche artikelen 1693. Voorts vond de leer van het foedus operum later ook bij sommige Roomschen 3) en Lutherschen ingang 4), maar het werd zeer sterk bestrevan den kant der Remonstranten en der Rationalisten B). Eerst in

') Verg. de litteratuur boven deze paragraaf.

2) In art. 14 der Ned. Gel. stond oorspronkelijk, dat God den mensch formeerde »naar zijn beeld en gelijkenis, goed, rechtvaardig en heilig, geheel volmaakt in alle dingen' (et tout parfait en toutes choses). Deze woorden zijn later weggelaten en vervangen door: kunnende met zijnen wil in alles overeenkomen met den wille Gods.

3) Scheeben, Dogm. II 500. Pesch, Prael. III 136.

') Bucldeus, Inst. 527 en anderen, verg. M. Vitringa II 242.

*) Episcopius, Inst. theol. II c. 2. Limborch, Theol. Christ. III c. 2. J. Alting op Hebr. 8 : 6 en Op. V 392. Venema, Korte Verdediging van zijn eer en leer 1735. N. Schiere, Doctr. test. et foed. div. omnium 1718. Vlak, die bestreden werd door H. Brink, Toetsteen der waarheid en anderen. Zelfs Van Oosterzee, Chr. Dogm. § 75, zag er slechts een juridisch kunststuk in.

Sluiten