Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

des menschen; het ideaal is in Adam ten volle bereikt; een hooger toestand is niet mogelijk. Adam had niets te worden, maar alleen te blijven wat hij was; hij was de volle gratiosa inhabitatio S. Trinitatis deelachtig. Hij stond daarom ook niet onder eene wet, die hem iets positiefs te doen beval; de wet, die voor hem gold, had alleen een negatieven inhoud; eerst de zonde heeft hem onder de heerschappij der wet gebracht. Vandaar dat bij de Lutheranen de oorspronkelijke toestand evenals bij de kerkvaders dikwijls zeer overdreven geschilderd wordt; en dat de staat, waartoe de geloovigen in Christus worden verheven, in het wezen der zaak gelijk wordt gedacht aan dien van Adam vóór den val. Bij den geloovige concentreert zich voor den Lutheraan alles om de rechtvaardigmaking; indien iemand deze deelachtig is, dan heeft hij genoeg, is hij volkomen bevredigd en zalig. De zaligheid valt geheel met de vergeving saam; er is geen behoefte om deze achterwaarts met de eeuwige verkiezing en voorwaarts met heel het Christelijk leven, de goede werken, en het eeuwige leven in verband te brengen; noch praedestinatie noch perseverantie zijn hier noodig; de Luthersche geloovige geniet in het heden en heeft daaraan genoeg1). Anders echter de Gereformeerden, die wandelden in het voetspoor van Augustinus. Volgens hen had Adam het hoogste niet. Het hoogste is nl. de materiëele vrijheid, en bestaat in het niet meer kunnen dwalen, zondigen, sterven; in het volstrekt boven alle vreeze en angst, boven alle mogelijkheid van val verheven zijn. Dit hoogste krijgen de geloovigen terstond uit genade door Christus. Zij kunnen niet meer zondigen, 1 Joh. 3:9, zij kunnen niet meer sterven, Joh. 3 :16, zij hebben terstond door het geloof het eeuwige, onverliesbare leven; hunner is de perseverantia sanctorum, zij kunnen niet meer verloren gaan. Christus brengt daarom de zijnen niet in den staat van Adam vóór den val terug; Hij verwierf en schenkt veel meer, nl. ook datgene, wat Adam zou ontvangen hebben, indien hij ware staande gebleven. Hij plaatst ons niet aan het begin, maar aan het einde van den weg, welken Adam had af te loopen; Hij volbracht niet alleen de passieve, maar ook de actieve gehoorzaamheid, bevrijdt niet slechts van schuld en straf, maar schenkt ook aanstonds uit genade het recht op het eeuwige leven.

') Luther bij Köstlin, Luthers Theol. 11 361. Schneckenburger, Vergl. Darst. des luth. u. ref. Lehrbegriffs, I 90 v. 120 v. II 185 v. Vilmar, Dogm. I 340. Frank, Syst. d. Chr. Wahrh. I 375.

Sluiten