Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hare ontwikkeling, hare geschiedenis, haar zich steeds uitbreidende heerschappij over de aarde, haar vooruitgang in kennis en kunst, haar onderwerping van alle schepselen. Ook dit alles is ontvouwing van het beeld en de gelijkenis Gods, waarnaar de mensch werd geschapen. Gelijk God niet eenmaal bij de schepping zich geopenbaard heeft, maar die openbaring voortzet en vermeerdert van dag tot dag en van eeuw tot eeuw; zoo is ook het beeld Gods geen onveranderlijke grootheid, maar het legt zich uit en ontplooit zich in de vormen van ruimte en tijd. Het is eene Gabe en Aufgabe tegelijk; het is een onverdiend genadegeschenk, dat reeds terstond in de schepping aan den eersten mensch werd verleend, maar het is tevens beginsel en kiem van eene gansch rijke, heerlijke ontwikkeling. Eerst de menschheid in haar geheel, als één volkomen organisme, saamgevat onder één hoofd, verbreid over de gansche aarde, als profetesse de waarheid Gods verkondigend, als priesteresse zich Gode wijdende, als koninginne de aarde en heel de schepping beheerschende, eerst zij is het ten volle afgewerkte beeld, de sprekendste en treffendste gelijkenis Gods.

De Schrift leert dit alles duidelijk, als zij zegt, dat de gemeente de bruid is van Christus, de tempel des H. Geestes, de woning Gods, het nieuwe Jeruzalem, waar alle heerlijkheid der volken wordt samengebracht. "Want wel wordt daarmede de status gloriae geteekend, die nu door de zonde heen bereikt worden zal; maar religie, zedewet, eindbestemming zijn in werk- en genadeverbond wezenlijk gelijk. In beide is het om een rijk Gods, om eene heilige menschheid te doen, waarin God kan zijn alles in allen. Slechts één punt in deze voorstelling eischt nog eenige nadere bespreking. De menschheid is niet als een volkomen organisme te denken, tenzij zij verbonden en saamgevat zij in een hoofd. In het foedus gratiae bekleedt Christus dien rang, Hij is het hoofd der gemeente; in het foedus operum werd die plaats ingenomen door Adam. ^Reeds Eva werd daarom uit Adam geschapen, opdat deze principium totius sjjeciei zou zijn en de eenheid van het menschelijk geslacht wortelen zou in de eenheid van haar oorsprong. De vrouw is dus zeer zeker wel de menschelijke natuur en het beeld Gods deelachtig en zij vertegenwoordigt beide op eene eigene wijze en naar haar eigen aard; maar zij is beide deelachtig niet tegenover maar naast anderen en in verbinding met den man; zij is tx ctrógoc, dia ror avöycc, óo'gcc avóqog, zij is niet zonder den man ; en ook de man, schoon hoofd der vrouw en tixwr xai óo'Sa x/sov, omdat hij in de eerste

Sluiten