Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook volstrekt niet bewust en ziet in het lichaam zoo weinig een kerker en strafplaats, dat zij huivert tegen den dood ; het wortelt bovendien in een heidensch dualisme van geest en stof, vernietigt de eenheid van het menschelijk geslacht en wischt het onderscheid tusschen mensch en engel uit 1). Daarentegen bleef tusschen traducianisme en creatianisme in de Christelijke theologie het pleit onbeslist. Het eerste had in den ouden tijd vele voorstanders, zooals Tertullianus, Rufinus , Makarius, Eunomius , Apollinaris, G-regorius van Nyssa, en volgens de waarschijnlijk zeer overdreven uitdrukking van Hieronymus zelfs maxima pars occidentalium; maar werd later op enkele uitzonderingen na alleen omhelsd dooide Lutherschen, door Luther zelf, ofschoon hij eerst creatianist was 3), en dan door Melanchton, Gerhard, Quenstedt enz. 3). Het creatianisme, dat reeds bij Aristoteles voorkomt, ontving in de Christelijke kerk spoedig instemming van Clemens Alexandrinus, Lactantius, Hilarius, Pelagius, Cassianus, Gennadius, Theodoretus, Athanasius, G-regorius van Nazianze, Cyrillus, Alexandrinus, Ambrosius en anderen, zoodat Hieronymus er reeds van kon spreken als van eene kerkelijke leer. Grieksche, Scholastieke en Roomsche theologen zijn dan ook allen het creatianisme toegedaan 4), en slechts enkelen, zooals Klee, toonen sympathie voor het traducianisme B). Ook de Gereformeerden kozen, op enkelen na 6), voor het creatianisme partij r). Sommigen, zooals inzonderheid Augustinus

') Daubauton, t. a. p. bl. 55—78.

2) Kösttin, Luthers Theol. II 365.

3) Gerhard, Loei theol. VIII c. 8. Quenstedt, Theol. I 519. Hollaz, Ex. theol. 414. Philippi, Kirchl. Gl. III 103. Vilmar, Dogm. I 348. Frank, Chr. Wahrh. I 400. Delitzsch, Bibl. Psych. 106 v. Cremer in PRE2 XIV 27. Von Oettingen, Luth. Dogm. II 370. 390 v. W. Schmidt, Chr. Dogm. II 260.

*) Lombardus, Sent. II 17. 18. Thomas, S. Theol. qu. 90 en 118. c. Gent. II 86—89. Bellarminus, de amiss. gr. et statu pecc. IV 2. Scheeben, Dogm. II 172 v. Kleutgen, Philos. II 583 v. Heinrich, Dogm. Theol. VI2 265—315.

') Klee, Dogm. II2 313 v.

6) Sohnius, Op. II 563. Martyr, Loei bl. 81. Shedd, Dogm. Theol. II 22. 75. III 250.

') Calvijn op Hebr. 12 : 9. Zanchius, Op. III 609. Polanus, Synt. V 31. Voetius, Disp. I 798. Moor, Comm. II 1064 III 289. Marck, Hist. Parad. II 4 § 7—9 enz.

Geref. Dogmaliek II.

40

Sluiten