Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en Gregorius Magnus laten de quaestie liefst onbeslist1), en anderen zoeken eene bemiddeling 2).

Inderdaad wegen traducianisme en creatianisme in kracht van argumenten vrij wel tegen elkaar op. Het traducianisme beroept zich op de schepping van Eva, van wier ziel niet afzonderlijk sprake is en die daarom heet «£ arógog, Gen. 2:21, 1 Cor. 11:8; op de spreekwijze der H. Schrift, dat de nakomelingen in de lendenen der vaders begrepen en uit hunne heup zijn voortgekomen, Gen. 46 : 26, Hebr. 7 : 9, 10; op het woord y-r, bekennen, dat tegelijk eene geestelijke handeling zou aanduiden; op de voltooiing der schepping op den zevenden dag, Gen. 2:2; op het feit, dat ook de dieren huns gelijken kunnen voortbrengen, Gen. 1:28, 5 : 3, 9 :4, Joh. 3:6, en vooral ook op de overerving der zonde en van allerlei psychische eigenschappen 3). Het creatianisme daarentegen vindt steun in de schepping van Adams ziel, Gen. 2:7; in vele teksten als Pred. 12 : 7, Zach. 12 :1, vooral Hebr. 12 : 9, cf. Num. 16:22, 17:16, waarvan zelfs Delitzsch, Bibl. Psych. 114 zegt:

') Augustimis kwam menigmaal op den oorsprong der ziel terug, de Gen. ad litt. I 10. de an. et ejus origine, de origine animae hominis. Retract. II 45, maar eindigde steeds met de verklaring, dat hij het niet wist. Van eene beslissing onthielden zich ook Leo Magnus, Isidorus, Chemniz, Buddens, Musculus, Piscator, Maresius, Van Oosterzee, Böhl e. a.

=) Leibniz, Theod. I 91. Rotlie, Theol. Ethik § 136. Ebrard, Dogm. I 327 v. Martensen, Dogm. 1G4—170. Daubanton t. a. p. 195 v.

3) Al deze argumenten worden breedvoerig door Dr. Daubanton uiteengezet bl. 125 v. Maar vooral heeft hij op het creatianisme tegen, dat het met de leer van het werkverbond verbonden is, in zijn oog een juridisch kunststuk, bl. 132. 141, en dan ^voorts met de leer van de erfschuld, van de onmiddellijke toerekening van Adams zonde, bl. 257. 260 v.; dienovereenkomstig wil hij dan ook in het genadeverbond niet van eene onmiddellijke toerekening van C hristus gerechtigheid weten en verwerpt de rechtvaardigmaking als logisch voorafgaande aan de unio mystica, bl. 309—313. Uit deze redeneering blijkt duidelijk, dat het creatianisme in de Roomsche en Gereformeerde theologie en het traducianisme in de Luthersche dogmatiek ten nauwste met een verschil in de leer van het wezen en de bestemming des menschen samenhangt. Daubanton verwerpt dezen samenhang wel bl. 137—143, maar geeft hoegenaamd geene verklaring van het feit, dat Roomsche en Geref. theologie het creatianisme huldigden, terwijl de Luth. theol. aan het traducianisme de voorkeur gaf, en maakt zich van het creatianisme al te gemakkelijk af, als hij zegt: »de theoloog onzer dagen, die zijne wetenschap niet als in een klooster afzondert van hare zusters ... heeft met deze theorie afgerekend. Hij laat haar eene plaats der eere in de archie\ en der Dogmenhistorie" bl. 150. Cf. Dr. Bierens de Haan, aldaar bl. 187.

Sluiten