Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«ine klassischere Beweisstelle für den Creatianismus kann es kaum geben '); en dan bovenal op de geestelijke, eenvoudige, ondeelbare, onsterfelijke natuur van de ziel. En gelijk traducianisme en •creatianisme beide gewichtige argumenten aanvoeren, zoo zijn ze beide ook onbekwaam tot oplossing der moeilijkheden. Het traducianisme verklaart noch den oorsprong der ziel noch de overerving der zonde. Wat het eerste aangaat, moet het óf komen tot de leei, dat de ziel van het kind reeds te voren in de ouders en voorouders bestond, dus tot eene soort van praeëxistentianisme; of dat de ziel potentiëel in het zaad van man of vrouw of van beide begrepen is, d. i. tot materialisme; óf dat ze door de ouders op eene of andere wijze voortgebracht wordt, d. i. tot creatie, nu niet door God maar door den mensch. En wat het tweede aangaat, kan het traducianisme hier niets ter verklaring bijdragen, omdat de zonde niet stoffelijk en geen substantie is, maar eene zedelijke ■qualiteit, zedelijke schuld en zedelijke verdorvenheid 2). Om deze moeilijkheden te ontgaan, stelt Daubanton het zich zoo voor, dat het nieuwe lichaam, bij wijze van menging, ontstaat door stoffelijke aanraking der telingsproducten, en dat de nieuwe geestelijke ziel evenzoo ontstaat door geestelijke, metaphysische aanraking der in de telingsproducten inwonende zielspotenzen. Ovulum en sperma zijn beide vóór de aanraking bezield, dragers van een psychisch leven. A\ anneer deze beide nu in het moederlijk lichaam elkander aanraken en doordringen physisch en psychisch (metaphysisch), dan hebben zij het vermogen, om niet alleen een stoffelijk foetus voort te brengen, maar in dat foetus ook eene nieuwe, menschelijke, nieuwgewordene, pneumatische ziel 3). Deze voorstelling is natuurlijk in zooverre juist, als sperma en ovulum, zoolang zij deel van het levend lichaam uitmaken, bezield zijn. Maar de vraag is juist, van welken aard dat bezielde leven is. Het laat zich toch niet denken, dat in sperma en ovulum, in elk van beide, eene geestelijke, onsterfelijke ziel inwoont, gelijk Daubanton het wezen der ziel zelf omschrijft, want dan zouden de zielen praeëxistent zijn, zou elk mensch tal van zielen bezitten, en zou bij het verdorven worden van sperma en ovulum ook telkens eene ziel verloren gaan. Daubanton spreekt dan

' Delitzsch, Bibl. Psych. 114.

De bezwaren tegen het traducianisme en de gronden vóór het creatianisme worden breed ontwikkeld door Dr. A. G. Honig, Creatianisme of Traducianisme ? Kampen J. H. Bos 190G.

*) Daubanton, t. a. p. bl. 194. 205—207. 211. 240.

Sluiten