Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook niet van zielen, maar van zielspotenzen, die in sperma en ovulum inwonen. Maar het valt moeilijk te zeggen, wat er bij die uitdrukking gedacht moet worden; vermogens, krachten kunnen potentiƫel zijn zoolang zij niet tot actus overgaan, maar eene zielspotens is eene onmogelijke voorstelling; eene ziel in den zin, gelijk Daubanton ze zelf eerst omschrijft, is er of zij is er niet. De gedachte zal wel deze zijn, dat sperma en ovulum, als beide bezield en levende, het vermogen bezitten, om een foetus voort te brengen, dat ook zelf bezield is en leeft. Maar dan keert hier de vraag terug: van welken aard is het leven, dat het foetus in zijn eerste bestaan reeds deelachtig is. Indien men zegt, dat dat leven reeds te danken is aan eene eigenlijke, geestelijke, onsterfelijke ziel, die in het foetus inwoont, dan staat men voor de moeilijkheid, waar zulk eene ziel vandaan komt. Zij was noch in sperma noch in ovulum aanwezig, en beider vereeniging kan ze ook niet veroorzaken. Zegt men hierop, dat God aan sperma en ovulum het vermogen gaf, om bij de vereeniging eene ziel voort te brengen, die zij geen van beide bezaten maar die toch geestelijk en onsterfelijk is, dan is dit eigenlijk een andere vorm voor het creatianisme; want dan bezitten sperma en ovulum eene inderdaad scheppende kracht, om aan eene geestelijke, onsterfelijke ziel het aanzijn te schenken uit een leven, dat wel bezield is maar toch van zulk eene ziel verstoken is. En geeft men op bovengestelde vraag dit antwoord, dat sperma en ovulum het vermogen bezitten, om bij de vereeniging een foetus voort te brengen, dat wel bezield is en leeft maar nog geene geestelijke, onsterfelijke ziel bezit, dat echter zoo georganiseerd is, dat het bij latere ontwikkeling zichzelf tot het bezit van zulk eene geestelijke en onsterfelijke ziel opheffen kan, dan verplaatst en verschuift men de moeilijkheid slechts. Want dan rijst aanstonds het bezwaar, wanneer en hoe het foetus tot een mensch wordt, het psychisch leven tot een pneumatisch leven zich ontwikkelt. En dan kan men slechts antwoorden, of dat dit geleidelijk toegaat overeenkomstig de wetten der evolutie, maar dan valt daarmede het wezenlijk onderscheid tusschen psychisch en pneumatisch leven, tusschen levensziel en geestelijke, onsterfelijke ziel, tusschen dier en mensch; of dat het foetus zelf het vermogen bezit, om op een bepaald oogenblik het psychisch leven tot eene geestelijke ziel op te hellen, maar dan is dit weer een andere vorm van creatianisme, echter met deze wijziging, dat niet God, maar de mensch zelf, of beter nog een foetus., schepper wordt. Wanneer het traducianisme door-

Sluiten