Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezens het geval; geen enkel mensch en vooral geen mensch als bijv. Goethe wordt door loutere traductie uit zijne ouders en voorouders verklaard. Weder die Statur van Goethes Yater noch die Frohnatur seiner Mutter geben uns irgend einen Anhalt, um die Entstehung dieser ausserordentlichen Persönlichkeit zu begreifen. Und wie das Genie plötzlich erscheint, so verschwindet auch alsbald wieder seine Spur '). Wel is er reeds jaren lang een ingespannen onderzoek ingesteld naar de wetten der erfelijkheid, maar het resultaat bestaat tot dusver nog alleen daarin, dat wij weten, dat de erfelijkheid een ingewikkeld vraagstuk is; de theorieën en hypothesen, die ter verklaring in den laatsten tijd zijn opgesteld, hebben over de mate en de wijze der overerving slechts weinig of geen licht verspreid 2). Niemand, die met de eigensoortigheid der menschelijke ziel en met hare dikwerf bijzondere en uitnemende gaven rekening houdt, zal er dan ook aan ontkomen kunnen, om naast en in verband met de waarheid van het traducianisme een belangrijk creatianistisch moment in de formeering der ziel te erkennen. Deze scheppende werkzaamheid Gods, die zonder twijfel, ook al weten wij het niet, op allerlei ander gebied van natuur en geschiedenis hare kracht doet gelden, sluit zich zeker zoo innig mogelijk aan het gegevene in de traditie aan; creando, zeide reeds Lombardus, infundit eas Deus et infundendo creat 3). Hij schept eene ziel niet eerst buiten het lichaam, om ze dan van buiten af in haar in te dragen, maar Hij heft het bestaande psychische leven te zijner tijd 4) en op eene voor ons onbegrijpelijke wijze 5) tot een hooger menschelijk, geestelijk leven op ®). Hiermede in overeenstemming is de overerving der zonde dan ook niet daaruit te verklaren, dat de ziel, eerst rein door God geschapen, door het lichaam besmet wordt 7), want dan zou de zonde een stoffelijk karakter gaan dragen, maar zij is veeleer

') Lexis, Das Wesen der Kultur (Die Kultur der Gegenwart I 1) bl. 16.

8) Nieuichuis, Twee vragen des tijds 1907 bl. 7(3 v.

3) Lombardus, Sent. II dist. 17.

4) Verg. Polanus V 31. Bucanus VIII 26.

*) Thomas, S. Theol. I qu. 118 art. 2. c. Gent. II 59. 68.

e) Ook Rabus zegt, dat het «urspriingliche wie das weiterhin dureh Generationvermittelte seelische Lebensprinzip des sinnlichen Organismus" alleen tot een hooger, zelfstandig menschelijk leven kan opgevoerd worden »durch die Annahme einer göttlichen Schöpfertat", in een artikel: Vom Wirken und Wohnen des göttlichen Geistes in der Menschenseele, Neue Kirchl. Zeits. Nov. 1904 bl. 828.

') Lombardus, Sent. II dist. 31.

Sluiten