Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mensch een lid van het lichaam der menschheid en tevens toch eene eigen gedachte Gods, met een eeuwige beteekenis en eene eeuwige bestemming! Elk mensch zelf een beeld Gods en toch dat beeld eerst ten volle in de gansche menschheid ontplooid! Krachtens deze eenheid viel nu wel heel de menschheid in Adam, haar stamvader en hoofd; maar deze val is toch geen lot, geen natuurproces, hij berust integendeel op eene vrijmachtige beschikking Gods. En deze beschikking, hoe vrijmachtig ook, is toch zoo weinig willekeurig, dat zij veeleer den physischen samenhang der menschheid onderstelt, hare ethische eenheid tot stand brengt en handhaaft en niet alleen de gestrengheid Gods, maar ook den rijkdom zijner genade op het luisterrijkst openbaren en in het licht stellen kan. Want als Adam valt, staat Christus gereed, om zijne plaats in te nemen. Het genadeverbond kan het werkverbond vervangen, omdat beide rusten op dezelfde ordinantiën. Indien wij niet konden veroordeeld worden in Adam, wij zouden niet kunnen vrijgesproken worden in Christus. Hoe dus de eerste mensch ook kieze, de schepping zal hare bestemming niet missen. De kosmogonie gaat in Genesis terstond in geogonie en deze in anthropogonie over. Wereld aarde, menschheid zijn één organisch geheel. Ze staan, ze vallen, ze worden opgericht met elkaar. De vestigia Dei in de schepping en de imago Dei in den mensch mogen verwoest en verminkt worden door de zonde van den eersten Adam; ze komen door den laatsten Adam en door zijne herscheppende genade tot des te luisterrijker openbaring. De status integritatis bereidt door den val heen of buiten den val om. den status gloriae voor, waarin God zijne heerlijkheid op zijne schepselen leggen en in allen alles wezen zaL

§ 39. De Voorzienigheid.

Oehler, Theol. d. A. T. 180 v. Schürer, Gesch. des jüd. Volkes im Zeitalter Jesu Christi. 3e Aufl. II 392 v. 570. III 531 v.

Theodoretus, de providentia 1. 10. Damascenus, de fide orthod. ] 29. Thomas, S. Theol. I qu. 103 v. c. Gent. III 64 v. Petavius, Theol. dogm. I lib. 8. Scheeben, Dogm. II 12 v. Heinrich, Dogm. V 279 v. Clir. Pesch, Prael. II 158 v. Simar, Dogm. § 69 v.

Luiker bij Köstlin, II 346 v. Gerhard, Loei Theol. VI. Quenstedt, Theol. I 527 v. Hollaz, Ex. theol. 421 v. Zwingli, de providentia. Calvijn, Inst. I 16. Beza, I'i'act. Iheol. 1 313 v. Polanus, Synt. Theol. bl 333 v. Mastricht, Theol. III c. 10. 11. Turretinus, Theol. El. 1. VI. Moor, Comm. II 423 v. Yitringa„ Doctr. II 168 v.

Sluiten