Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Schleiermacher, Chr. Gl. § 46—49. Ritschl, Rechtf. u. Vers. 11 347 v. III 158 v. 583 v. W. Herrmann, Die Lehre v. d. göttl. Vorsehung und Weltregierung, Christl. Welt 1887. Kreibig, Die Ratsel der göttl. Vorsehung. Berlin 1886. W. Schmidt, Die göttl. Vorsehung und das Selbstleben der Welt. Berlin 1887. Beyschlag, Zur Verstandigung über den christl. Vorsehungsglauben 1888. Erich Haupt, Der christl. Vorsehungsglaube, Bew. d. Gl. 1888. Mayer, Das christl. Gottvertrauen und der Glaube an Christus. Gött. 1899. O. Kim, Vorsehungsglaube und Naturwissenschaft 1903. P. Mezger, Ratsel des christl. Vorsehungs"laubens. Basel 1904. Winter, Wesen und Charakter des christl. Vorsehungsglaubens, Neue kirchl. Zeits. 1907 bl. 609—631. Köstlin, art, Concursus divinus in PRE3 IV '262. Zöckler, art. Schöpfung und Erhaltung der Welt in PRE3 XVII 701 v. James Mc Cosh, The method of divine government, physical and moral 1850. A. Hodge, The relation of God to the world, Presb. and Ref. Rev. 1887. ,4. C. Fraser, Philosophy of Theïsm.2 1899.

301. Als God op den zevenden dag volbracht had zijn werk, dat Hij gemaakt had, heeft Hij op den zevenden dag van al zijn werk gerust, Gen. 2 :2, Ex. 20: 11, 31: 17. Zoo duidt de Schrift den overgang aan van het werk der schepping tot dat der onderhouding. Dat dit rusten Gods zijn oorzaak niet heeft in vermoeienis, noch ook in een ledig toezien bestaat, wordt door de H. Schrift telkens klaar en duidelijk uitgesproken, Jes. 40:28, Job 5:17. Het scheppen is voor God geen werk en het onderhouden geen rust. Het rusten Gods geeft alleen te kennen, dat Hij aan het voortbrengen van nova genera een einde maakte, Pred. 1 . 9, 10, dat het werk der schepping in eigenlijken en engeren zin, als productio rerum e nihilo, was afgeloopen; en dat Hij in dit voltooide werk met Goddelijk welgevallen zich verlustigde, Gen. 1:31, Ex. 31:17, Ps. 104 : 31 1). Het scheppen gaat nu in onderhouden over. Beide zijn in de Schrift zoo wezenlijk onderscheiden, dat ze als arbeid ■en rust tegenover elkander kunnen worden geplaatst. En zij zijn toch ook zoo innig verwant en verbonden, dat het onderhouden zelf een scheppen kan heeten, Ps. 104 : 30, 148 : 5, Jes. 45 : 7, Am. 4: 13. De onderhouding is immers zelve ook een Goddelijk werk, niet minder groot en heerlijk dan de schepping. God is geen Deus otiosus, Hij werkt altijd, Joh. 5: 17, en de wereld heeft geen bestand in zichzelve. Van het oogenblik van haar ontstaan af bestaat ze alleen in en door en tot God, Neh. 9:6, Ps. 104:30, Hd. 17:28,

') Augustinus, de civ. XI 8. XII 17. de Gen. ad lit. IV 8 v. Lombardus, Sent. II dist. 15. Thomas, S. Theol. I qu. 73. Calvijn op Gen. 2 : 2. Zanchius, Op. III 537 enz.

Sluiten